Stan - Gitarist, Spaanse Gitaarmuziek, Bossa Nova, Spaanse Muziek
 

 

 

MUZIEKANALYSES

Analyse J.S. Bach (1685-1750) - Contrapunctus 1 uit Die Kunst der Fuge

© Stan – http://www.degitarist.nl

Toonsoort : D-Klein

Aantal stemmen: 4

Tijdens de analyse is o.a. rekening gehouden met:

A. Het Thema

  • Afbakening van het thema (eerste en laatste noot)
  • Structuur van het thema
  • Themafiguren
  • Contrasubject
  • Beantwoording (reëel of tonaal)
  • Mutatie
  • Modulerend thema

B. Vormschema

C. Fuga elementen

  • Einde expositie,etc.

Globale opbouw

In de fuga wisselen passages met strenge thematische contrapuntiek (doorwerkingen) en lossere gedeelten (tussenspelen) elkaar af.

Opeenvolging van thema in verschillende stemmen:

[alt, sopraan, bas, tenor] , [alt, sopraan, bas, tenor], [sopraan, bas, tenor].

Opmerkelijk is dat de opeenvolging van het thema in de stemmen vrijwel constant blijft met een uitzondering van weglating van de alt in de “derde set”.

 

Maat

Analyse

1 – 4

Thema in alt: eerste noot: d, laatste noot: e (precies 4 maten lang).

Ritmisch gezien bestaat het thema uit halve noten, hele noten en achtsten op het eind. Een geleidelijke toenemende beweging in het thema heeft dit tot gevolg.

De ambitus van het thema is een kleine sext. Hoofdtonen van het thema bestaat uit de tonen van de kleine drieklank, de overige noten zijn doorgangstonen. Verder is het thema op zichzelf geen melodische afgesloten eenheid.

5 - 8

Cobis in sopraan in bovenkwint. Hier geldt ook de algemene regel dat de cobis in een naastliggende stem optreedt.

Tonale beantwoording: er treedt een tonale correctie op. Thema in de alt, springt van d naar a (=kwint) . Thema in sopraan springt nu van a naar d (=kwart). Dit gebeurt om de verhouding tonica (d) - dominant (a) / dominant (a) - tonica (d) in evenwicht te houden.

De tegenstem in de alt tegen de comes (contrapunt) speelt in het verdere verloop van de fuga nog een rol, hoewel deze rol, naarmate de fuga vordert afneemt noem ik de tegenstem toch nog contrasubject (CS).

CS bestaat uit voornamelijk uit achtsten en kwarten en heeft hierdoor een complementaire contrasteerde ritmiek. Begint in maat 6 (op a) en eindigt in maat 8.

De melodische beweging van maat 5 (inclusief a van 6) in de alt is niet een echt koppelmotief, omdat het verder niet meer voorkomt. Wel heeft het dezelfde melodische lijn als het eind van het thema

9 - 12

Thema in bas.

CS materiaal wordt gebruikt in sopraan en alt, maar is moeilijk als initiële CS vorm te herkennen.

13 - 16

Thema in tenor. Er treedt weer tonale correctie op.

De vierde inzet verhoudt zich tot de derde als de tweede tot de eerste.

CS treedt op in bas vanaf maat 14 en is bijna gelijk aan de initiële CS vorm met uitzondering van de omspelings noten (g en a) in begin 16.

17 - 22

Tussenspel en einde expositie: het thema heeft geklonken in alle stemmen. Voorheen heeft het thema geklonken in zijn “gewone” initiële vorm, dus geen omkeringen, etc.

Dit gedeelte noemen we nu tussenspel (divertimento) zonder thema.

Wat het tussenspel domineert is de melodische lijn a,c,e,g in de tenor en de lijn bes,d,f in de sopraan. Ze bestaan eigenlijk uit een motief met ritmische karakter van 1 halve (overgebonden), 2 achtsten en een kwart (wat overigens in de hele fuga vaak voorkomt). Men kan spreken van een canon. Sopraan zet halve toon later in.

De bas fungeert in dit spel tussen de alt en sopraan als een soort stuwende kracht. Hij vult namelijk de “leegte” van de halve noten op.

23 - 26

Doorwerking van thema in alt.

27 , 28

Tussenspel

29 - 35

Doorwerking van thema in sopraan. Opmerkelijk is dat nu geen tonale correctie plaatsvindt, maar een reële beantwoording plaatsvindt (a naar e)

Maat 32: Thema in bas: thema zet voor de eerste keer in op een moment waarin hetzelfde thema in een andere stem nog klinkt. Dit noemen we stretto.

Verder is hier sprake van vrije tegenstemmen. Het CS materiaal wordt vrijwel niet gebruikt.

Verder loopt de doorwerking gestroomlijnd door de aanwezigheid van een continue ononderbroken opeenvolging van achtsten, springend van de ene naar andere stem.

36 – 39

Tussenspel.

Dit tussenspel heeft het karakter van het tussenspel beginnend in maat 17. Het gaat nu om de bas en de alt i.p.v. de tenor en de sopraan. Bach kiest bewust niet voor naast elkaar liggende stemmen. Waarschijnlijk omdat dat minder contrast en kleur-werking optreedt. Tevens is het beter te horen wanneer de stemmen niet direct naast elkaar liggen.

Hier draait het dus om de melodisch lijn [g-bes-d-f] in de bas en [a,c,e,g] in de alt.

40 - 43

Doorwerking van thema in tenor met vrije tegenstemmen.

44 – 48

Tussenspel met nieuw melodisch en harmonisch materiaal.

49 – 52

Doorwerking van thema in sopraan

Vrije tegenstemmen

53 - 55

Tussenspel

56 – 59

Doorwerking van thema in bas.

Tegenbeweging tussen paren van stemmen (bas, tenor) en (alt,sopraan)

60 – 72

Tussenspel

In maat 60,61,62 wordt gebruikt gemaakt van een motief bestaande uit halve noot, overgebonden aan 1 achtsten en gevolgd door 3 andere achtsten. De melodisch lijn [d,bes,g,a] is kenmerkend in de bas. Ook is er een duidelijke tegenbeweging in de sopraan van [a,c,es]

Orgelpunt in bas in maat 63.

Modulatie: Akkoord in 71 staat in d mineur, daarna gaat Bach verder in D-groot na een begrijpelijke pauze.

73 – 78

Slot

Thema in tenor vanaf 74

Orgelpunt in bas

Eindigt in D Groot.

Download hier de analyse in pdf.