Stan - Gitarist, Spaanse Gitaarmuziek, Bossa Nova, Spaanse Muziek
 

 

 

MUZIEKANALYSES

Analyse G. Frescobaldi (1583-1643) - Canzon Terza

© Stan – http://www.degitarist.nl

INHOUDSOPGAVE

1. Introductie

2. Melodische aspecten

3. Belangrijke cadensen

4. Gebruikte toonvoorraad

 

1. Introductie

G. Frescobaldi was een Italiaanse componist en organist, geboren in Ferrara. De uitgangspunten van zijn leer zijn terug te vinden in de Venetiaanse School. Hij was een leerling van Luzzasco Luzzaschi. Als orgelvirtuoos trok hij door heel Europa. In 1608 werd hij benoemd tot de organist van de Sint-Pieter, een post die hij vervuld heeft tot zijn dood. Mede door zijn virtuoze orgelspel doorbrak hij de strenge vormen van de Renaissance en stelde hij zich open voor de levendige uitdrukkingsmogelijkheden van de Barok. Mede door hem, veroverde het orgel als muziekinstrument een zelfstandige plaats. Definitie van een canzone volgens Sesam (Atlas v/d muziek): intavolatie van een chanson, waarvan het een bewerking of imitatie is. Duidelijk is dat een canzone een instrumentale compositie is. De thema´s waren dus aanvankelijk gebaseerd naar het voorbeeld van franse chansons. Via leerlingen (Cavazonni, Merulo) van Frescobaldi bereikte de canzone Duitsland, waar de vorm navolging vond tot bij Bach en Buxtehude. Mede door de invloed van de canzone ontwikkelde zich het preludium met fuga. Er bestaan ook grote veelstemmige canzoni, welke voor instrumentale ensembles waren gecomponeerd. Aanvankelijk waren deze vierstemmig, maar na 1600 ook zes tot twintigstemmig. Uit dit genre ontwikkeld later het concerto grosso.

2. Melodische aspecten

De canzon terza is modaal. In oude modi zijn alle drieklanken gelijkwaardig. Er bestaat geen onderscheid tussen hoofd en neventrappen. De expositie duurt 7 maten. Opvallend verder is dat elk deel uit een oneven aantal maten bestaat (A: 17, B: 13, C: 7, D: 11, E: 13). De canzone bestaat uit 5 delen, afwisselend binaire en ternaire maatsoorten: Deel A (1 t/m 17) is binair (4/2) Deel B (18 t/m 30) is ternair (3/1) Deel C (31 t/m 37) is binair (4/2) Deel D (38 t/m 48) is ternair (3/2) Deel E (49 t/m 61) is binair (4/2)

Het basisthema (dux) ziet er als volgt uit: De dux treedt op in (sopraan, maat 1), (alt, 2), (tenor, 4) en (bas, 6) Een dux heeft een metgezel, namelijk de comes. Een letterlijke comes zou betekenen:

In plaats hiervan treedt er een staartmutatie op met een verhoging van 1 toon. De echte comes wordt nu:

In deel A treedt de comes gemuteerd op in (sopraan, 8) en (tenor, 12) en ongemuteerd in (alt, 9), (sopraan, 13) en (bas, 15). Soms begint de dux op een zwaar maatdeel (b.v. maat 1) en andere keren op een licht maatdeel (b.v. maten 9, 13). Als de dux of comes inzet, is het aantal stemmen dat in tegenbeweging leeft gelijk of in de meerderheid (t.o.v. de dux of comes). In deel B treedt de comes weer op in (alt, 18). Nu hebben we er een krachtig thema bij gekregen, namelijk het contrasubject (niet een echt c.s., omdat dat in die tijd nog niet bestond, maar ik noem het voor het gemak toch maar even zo, omdat het optreedt samen met de comes/dux):

Comes: (bas, 28) Dux: (tenor, 22), (sopraan, 25)

De comes komt nu voor in een vertraagt ritme (waarden van de noten zijn langer geworden). Ook is het oorspronkelijke ritmische karakter verandert:

Deze verandering heeft tot gevolg dat een accentverschuiving optreedt m.b.t. de belangrijkheid van bepaalde tonen. In een 4/2 maat liggen de accenten op de g(1e tel), d(3e tel) en de f (1e tel). In een 3/1 maat liggen de accenten op de g(1e tel), d(1e tel) en de d (1e tel). Vooral het syncopische ritme van de laatste maat geeft een beweeglijker karakter aan de nieuwe comes. Het c.s. komt ook weer voor in (tenor, 25). Ook het motief van (bas, 22) lijkt erg veel op het c.s. (de “kop” is identiek). Ook in (alt, 28) is het c.s. weer terug te vinden. Verder valt op te merken dat de comes en de dux altijd beginnen op een zwaar maatdeel. In deel C lijkt het nieuwe thema op de oorspronkelijke dux uit deel A. Het ritmische karakter is verandert en de waarden van de noten zijn weer korter zoals in deel A:

Deze nieuwe dux komt nu voor in: (tenor, 31, op toon d, 4e tel), (sopraan, 33, op toon a, 2e tel), (alt, 34, op toon a, 2e tel), (sopraan, 36, op toon a, 4e tel). Het valt dus op dat de dux op een licht maatdeel begint. Als hij op de 2e tel begint, dan liggen de accenten ( in volgorde van zwaarte ) op de achtste d en de kwart g en als hij op de 4e tel begint, dan liggen de accenten op kwart g en achtste d (omgekeerd dus). Het motief (sopraan,31) lijkt veel op de dux. Als je deze vergelijkt met de inzet in de (tenor, 31), kun je spreken van een imitatie. Het c.s. uit deel B heeft veel verwantschappen met (alt, 31). In deel D zien we dat c.s. (sopraan, 18) nu ondersteboven voorkomt als (bas, 38):

Dit ongekeerde c.s. komt verder ook voor in (tenor, 39, 1e tel), (sopraan, 40, 1e tel), (alt, 41, 1e tel), (tenor, 44, 1e tel). Hier valt het dus telkens op het zware maatdeel. Ook wordt het thema hier in stretto gezet (verschillende stemmen zetten zo snel in dat ze elkaar gaan overlappen). Verder valt op dat de kop van dit omgekeerde c.s. terugkomt in (sopraan, 47) en de staart komt terug in (bas, 47) en (bas, 43). Motief (bas, 43 en 44) lijkt veel op motief (bas, 47 en 48). Verder zien we ook dat de sopraan in maat 42 zijn top bereikt met een es.

In deel E heeft de kop van (sopraan, 49) veel gemeenschappelijk met het thema uit deel A:

We hebben nu weer te maken met een nieuw thema:

Dit thema komt voor in (alt, 49), (bas, 50), (tenor, 52), (tenor, 55), (bas, 56), (alt, 58), (bas, 59), (tenor, 59) en (sopraan, 56). Dit thema is nu wel versneld weergegeven vergeleken met de vorige thema´s. Er is een duidelijke relatie met het thema uit het eerste deel: we zien dat het oorspronkelijke thema begint op een d en afdaalt naar een a ( kwartsprong ) en vervolgens weer een sprong maakt naar d. Iets dergelijks gebeurt ook bij het nieuwe thema: een kwartsprong van g naar d omlaag en weer terug naar g. Alleen de manier waarop men van de ene noot naar de andere noot gaat verschilt. Ook is verschillend dat het oorspronkelijke thema begint met d en eindigt op a, terwijl het nieuwe thema van g naar e afdaalt (een kleine terts).

Ook zien we ander materiaal van het eerste deel weer terugkomen in dit laatste deel: vergelijk (tenor, 53), (alt, 55), (bas, 56), (bas, 57) met (alt, 11):

Ook het volgende thema: dat voorkomt in (tenor, 50) en (tenor, 58) heeft verwantschappen met het oorspronkelijke thema.

Verder heeft de kop van dit laatste thema verwantschappen met (sopraan, 51), (bas, 51), (sopraan, 55), (sopraan, 56), (alt, 57), (bas, 57). In maat 60, zien we dat materiaal van verschillende thema´s bij elkaar komen zoals:

lijkt op (sopraan, 60).

uit deel C lijkt op (bas, 60).

lijkt op (alt, 60).

 

3. Belangrijke cadenzen

Maat 4 . D Maat 6 . G Maat 11 . G Maat 13 . G (komt niet) Maat 17 . G Maat 20 . D Maat 25 . G Maat 31 . D (phyrigisch) Maat 36 . G Maat 44 . B (ben ik niet helemaal zeker van...) Maat 48 . G Maat 57 . D Maat 61 . A

4. Gebruikte Toonvoorraad

De Dorische toonladder met toonafstanden: 1, ½ , 1, 1, 1, ½, 1 G-dorisch : g, a, bes, c, d, e, f, g v Verder komen de volgende noten ook voor: es, fis, cis, b

Download hier de analyse