Stan - Gitarist, Spaanse Gitaarmuziek, Bossa Nova, Spaanse Muziek
 

 

 

COMPONISTEN

Biografie - Stravinsky, Igor (Feodorovitsj)

© Hayo Beerens – http://www.degitarist.nl

(Oranienbaum, bij Sint-Petersburg, 1882 - New York 1971)

Russisch-Frans-Amerikaans componist en dirigent. Het werk van Igor Stravinsky is gedurende meer dan een halve eeuw toonaangevend geweest. In zijn oeuvre nemen de composities voor orkest, en later ook voor koor en orkest, de grootste plaats in. In het bijzonder werd zijn naam gevestigd door de balletmuziek die hij tussen 1910 en 1920 schreef voor de Ballets Russes van Serge Diaghilev in Parijs. Deze werken behoren merendeels tot zijn Russische periode. Na de Eerste Wereldoorlog schreef hij in neoklassieke stijl, waarbij hij uiteenlopende stijlen, van Monteverdi tot Tsjaikovski, in zijn idioom integreerde. In zijn laatste scheppingsperiode (vanaf 1952) schreef hij seriële muziek en verschillende gelegenheidswerken ter nagedachtenis van bekende persoonlijkheden.

Stravinsky was de zoon van een operazanger, en leerde daardoor veel opera's - vooral Russische - kennen. Op zijn negende jaar begon hij piano te studeren. Vanaf 1903 volgde hij instrumentatielessen bij Rimski-Korsakov. Tegelijkertijd bracht hij zichzelf de wetten van harmonie en contrapunt bij. In 1909 ontmoette hij Serge Diaghilev, impresario en balletkenner en -hervormer, die hem opdrachten gaf voor balletmuziek voor zijn Ballets Russes. Stravinsky verhuisde in 1910 naar Zwitserland, waar hij tot na de Eerste Wereldoorlog woonde. In 1919 ging hij naar Frankrijk en werd hij Frans staatsburger. In 1939 emigreerde hij naar de Verenigde Staten, waar hij in 1945 het Amerikaanse staatsburgerschap verkreeg. Na de Tweede Wereldoorlog hernieuwde hij het contact met Europa en bezocht ook zijn vaderland (1962).

Russische periode

Stravinsky's oeuvre uit zijn eerste Russische periode bestaat vooral uit orkestwerken voor ballet, die gebaseerd zijn op Russische legenden. Het gebruik van de primitieve motivische structuren van het Russische volkslied als basis gaf zijn werken hun individuele tonale behandeling, hun eigen melodiek, harmoniek en vooral ritmiek: ritme was het belangrijkste constructieve element in zijn werken. In Feu d'artifice , een orkestfantasie uit 1908, is de invloed van instrumentator Rimski-Korsakov duidelijk herkenbaar, evenals in het ballet l'Oiseau de feu (De vuurvogel; 1909-1910), gebaseerd op Russische legenden en vol van sprookjesachtige kleuren. L'Oiseau de feu was het eerste ballet dat hij in opdracht van Serge Diaghilev schreef; in 1910 werd het met overweldigend succes in Parijs opgevoerd. In 1911 volgde met evenveel succes het ballet Petrouchka , met de levendige, veelkleurige folklore van een Russische kermis (Petrouchka is een skomorokha, een soort harlekijn), waarin het ritme verzelfstandigd wordt. Dit aspect werd verder uitgewerkt in Le sacre du printemps (1911-1913), gebaseerd op heidense gebruiken uit Rusland, waarvan de uitvoering in 1913 in Parijs onder leiding van Pierre Monteux hevige emoties opwekte, echter meer door de choreografie van de danser Vatslav Nizjinski dan door de muziek. In dit werk, waarin een sfeer van primitiviteit opklinkt, worden de constructieve functies - vroeger melodie en harmonie - gelegd in de ritmiek, die een grote complexiteit tentoonspreidt. Deze nieuwe functie van het ritme was waarschijnlijk ook beïnvloed door de jazz, die Europa in die jaren langzamerhand begon binnen te dringen.

Invloed van de jazz is in latere werken van Stravinsky duidelijker aanwijsbaar, met name in Ragtime voor elf instrumenten (1918) en Piano rag music (1919); zijn Ebony concerto (1945) is voor jazzensemble geschreven. Andere belangrijke werken uit Stravinsky's eerste periode zijn Pribaoutki voor zangstem en acht instrumenten (1914), Le rossignol (1908-1914), een sprookjesopera, Renard (1916), een burleske voor zang en dans, in 1922 door de Ballets Russes uitgevoerd, en Les noces (1914-1923), een scenisch werk waarin Russische bruiloftsliederen en -gebruiken verwerkt zijn.

Neoklassieke periode

De werken die Stravinsky na de oorlog aanving, laten een streven naar een strikte muzikale constructie zien, waarbij hij vaak teruggreep op vormen van de (pre)klassieke periode. Er is echter nooit sprake van plagiaat van oudere stijlen; zijn originele geest en behoefte aan experiment drukten een eigen stempel op elk nieuw werk, in het bijzonder ook door zijn briljante instrumentatiekunst. Het ballet Pulcinella (1919-1920), voor Diaghilev geschreven, gaat terug op Pergolesi; het ballet Jeu de cartes (1937) gebruikt thema's van Rossini, Weber en Delibes; Mavra (1921-1922) is een opera buffa met invloeden van de Russische componisten Glinka en Dargomisjki; de Symphonie de psaumes voor koor en orkest (1930) is op het gregoriaans gebaseerd en evenals veel van zijn werken sterk contrapuntisch; het klassieke ballet Apollon Musagète voor strijkers en zes dansers (1927-1928) toont karakteristieken van Mozart en laat tevens een streven naar versobering zien; het concert in Es voor vijftien instrumenten, Dumbarton oaks concerto (1937-1938), refereert aan Bachs Brandenburgse concerten , en het ballet Orpheus (1948) grijpt terug naar Monteverdi.

Deze hele periode werd ingeluid door l'Histoire du soldat (1918), op tekst van Charles-Ferdinand Ramuz (1878-1947). Het is karakteristiek voor de weg die Stravinsky insloeg: weg van het Russische verleden naar de eigen werkelijkheid, verkleining van het orkestapparaat, jazzritmen geïntegreerd in de kunstmuziek. De combinatie van muziek, vertelkunst en dans is een belangrijke stap geweest in de ontwikkeling van de muziek in die dagen. Dat Stravinsky in deze tijd ook dikwijls als pianist (en dirigent) optrad, blijkt uit het ontstaan van werken als de pianosonate (1924), de Capriccio voor piano en orkest (1928-1929) en het concert voor twee solopiano's (1931-1935), dat hij met zijn zoon Soulima uitvoerde tijdens tournees door Europa en Zuid-Amerika (1935 en 1936). Andere belangrijke werken uit deze periode zijn: Oedipus Rex (1926-1927), op een Latijnse vertaling van een tekst van Cocteau, dat het midden houdt tussen opera en oratorium, de mis voor gemengd koor en dubbel blaaskwintet (1944-1948), Symphonies d'instruments à vent (1921), een vioolconcert (1931), de Circuspolka (1942, in versies voor orkest, blazers en slagwerk, en voor piano), een octet voor blazers (1922-1923), en de opera The rake's progress , die in 1951 in Venetië in première ging; het libretto van W.H. Auden en Chester Kallmann was geïnspireerd op de gelijknamige schilderijencyclus van de 18e-eeuwse Engelse schilder William Hogarth.

Seriële periode

Stravinsky's derde, seriële, periode begon omstreeks 1952, toen hij zich - vrij onverwacht voor kenners van zijn muziek - voor de dodecafonie begon te interesseren. Deze interesse kwam gedeeltelijk voort uit zijn nauwe relatie, sinds 1948, met de dirigent Robert Craft, die veel voor de verbreiding van het oeuvre van Schönberg heeft gedaan. (Craft gaf vier delen Conversations uit, gesprekken met Stravinsky die een goed inzicht in diens persoonlijkheid en componeren geven.) Een belangrijk deel van de werken uit deze periode is voor koor en orkest: vanaf de Cantate voor sopraan, tenor, vrouwenkoor en vijf instrumenten (1951-1952) tot Requiem canticles voor alt, bas, koor en orkest (1965-1966; zijn laatste voltooide werk). In deze periode ontstonden verder het ballet Agon voor twaalf dansers (1953-1957) en verschillende, meest zeer korte herdenkingswerken: o.a. voor Aldous Huxley, T.S. Eliot, een In memoriam Dylan Thomas voor tenor, strijkkwartet en vier trombones (1954) en de Elegy for JFK voor middenstem en drie klarinetten, op tekst van W.H. Auden (1964, voor president Kennedy).

De voortdurende ontwikkeling in verschillende stijlrichtingen maakt dat Stravinsky's oeuvre niet onder één noemer te vatten is. Wel vindt men door al zijn werken heen bepaalde karakteristieken in melodiek, harmoniek, ritmiek, coloriet en constructie. De melodie heeft een typische bouw, die uitgaat van kleine motieven of intervalscellen en voornamelijk gebaseerd is op toonherhaling en ostinati.

Harmonisch is zijn werk vrij traditioneel, zij het dat de geijkte patronen van de klassiek-romantische periode vermeden worden. De instrumentatie is volkomen eigentijds en zeer creatief. In de vormconceptie tellen alle muzikale componenten mee, al is vaak een traditionele vorm herkenbaar. De meest opvallende karakteristiek ligt in het metrisch-ritmische vlak, waar Stravinsky zich losmaakte van de traditionele vormen en nieuwe wegen voor de structuur van de beweging vond. Ook al ontwikkelde hij zich steeds en in grote lijnen in drie belangrijke richtingen, zijn totale oeuvre toont het werk van een en dezelfde geest, die misschien de meest vooraanstaande van de 20e eeuw is geweest dankzij zijn gave de muzikale verworvenheden tot aan zijn tijd in een synthese tot een eigentijds idioom te vormen. Rimski-Korsakov, Nikolai (Andrejevitsj).

Download hier dit essay in pdf.