Stan - Gitarist, Spaanse Gitaarmuziek, Bossa Nova, Spaanse Muziek
 

 

 

MUZIEK, PEDAGOGIE EN ANTROPOSOFIE

Essay Kunst van het Luisteren - Het oefenen van de luistervaardigheid m.b.v. de gitaar.

© Ignacio Nogales & Stan Kuunders – http://www.degitarist.nl

INHOUDSOPGAVE

0. INLEIDING

1. STEMMEN VAN DE GITAAR

2. LUISTEREN VANUIT DE TOONBELEVING

2.1 Toonduur
2.2 Toonkleur
2.3 Toonintensiteit
2.4 Van geest naar materie
2.5 Toonhoogte

3. LUISTEREN VANUIT DE BEWEGING

3.1 Toonladders
3.2 Gebaren
3.3 Elementaire beweging: ritmefiguren

4. LUISTEREN VANUIT DE SAMENHANG DER TONEN

0. INLEIDING
In dit werkstuk worden luisteroefeningen aangeboden die gebruikt kunnen worden tijdens de instrumentale gitaarles (zowel individueel als groepen). Goed luisteren vereist een bepaalde aandacht en inspanning. Zoals Stavinsky zei: “luisteren kost inspanning. Horen is geen enkele verdienste – een eend hoort ook.”
Goed luisteren gaat dus niet vanzelf. Meestal gaat aan aandachtig luisteren een expliciet besluit vooraf. Luisteropdrachten zijn daarom ook goed omdat ze een besluit vereisen van het individu om te gaan luisteren. Goed luisteren doe je eigenlijk met hart en ziel, je één voelen met de muziek, met liefde aanwezig zijn. Proberen te ontvangen zonder om te vormen, je één voelen met de componist. Het luisteren is alleen mogelijk wanneer de richtinggevende activiteit van degene die hoort geëindigd is. Op deze manier schakel je je ego uit en wordt je ontvankelijker voor datgene wat klinkt. Hoe meer je totaal luistert met lijf, gevoel, hart, verstand en spirit, des te meer word je gewaar in het luisteren. Probeer je eigen belangen, verwachtingen, houvast of doelen aan de kant te zetten.
Tijdens het improvisatiefestival, afgelopen zomer, heb ik gemerkt dat nieuwe (geïmproviseerde) muziek een andere houding verlangt van de luisteraar. Je oor is gewend aan klassieke structuren van vorm, harmonie, melodie en ritme. Deze totale nieuwe muziekbeleving vereist een actieve houding t.o.v. hetgeen wat afspeelt. Ook het feit dat er totaal vrij geïmproviseerd wordt versterkt dat. Je wordt overspoelt van vooroordelen en gedachten van “dit is saai”, “er gebeurt niets”, “oh nee, heb je die groep weer, dat wordt weer saai”, etc. Dit is precies wat Krishnamurti bedoelde met “wanneer we luisteren komt het scherm van onze eigen gedachten altijd tussenbeide”. Als pedagoog is het wel moeilijk om je leerlingen zo te laten luisteren zoals Krishnamurti dat bedoelde. Dit vereist een bewustwording en innerlijke waakzaamheid. Hetgeen wat Pontvik beschrijft is makkelijker te realiseren voor een pedagoog. Het luisteren is een meedenken van de voortgang van de compositie. De meeste luisteroefeningen in dit verslag vormen de leerling in dit vermogen tot meedenken. Zij dienen ook om de leerling bewuster en aandachtiger te laten luisteren om hierdoor een actieve en creatieve luisterhouding te ontwikkelen. Als de oefeningen speels, interessant, gevarieerd en uitdagend genoeg worden aangeboden zal de leerling automatisch met zijn totale aandacht aanwezig zijn. Hierdoor kan de concentratieboog van het luisteren groeien en zal ook eigen gedachten en afleidingen van het ego minder kans krijgen om te interveniëren (dit aansluitend bij Krisnamurti). Ook zijn luisteroefeningen geschikt voor de docent, zodat deze beter inzicht krijgt in het kind en hoe hij/zij klanken en muzikale wereld ervaart en hoort. Goede oefeningen moeten altijd de nieuwsgierigheid van de luisteraar opwekken.
Veel leerlingen beginnen na 10 jaar gitaar te spelen, hoewel er ook zijn die met 6 jaar beginnen. Bij jonge kinderen tot 7/8 jaar gaat het om het gewoon doen op basis niveau. Bij jonge kinderen moet veel gevarieerde herhaling toegepast worden en de oefeningen moeten duidelijk worden uitgelegd, de vragen helder en met veel fantasie.
Om te beginnen ga ik in op de luistermogelijkheden van het stemmen. Dit is altijd een tijdrovende activiteit en wordt meestal als oninteressant beschouwd. Toch is het een goede oefening voor de “opwarming van het gehoor”. De leerlingen moeten zelf leren ontdekken wanneer een gitaar vals klinkt en zelf de vreugde van een goed gestemde gitaar leren beleven (vooral in groepsverband). In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op oefeningen die de toonbeleving doen aanwakkeren. In hoofdstuk 3 wordt het luisteren vanuit de beweging geïntroduceerd en hoofdstuk 4 tenslotte gaat in op de toonsamenhang.

1. Stemmen van de gitaar
De gitaar is een instrument dat makkelijk ontstemt. In een groep is het belangrijk om met gestemde gitaren te werken. Het is een aanslag op je ziel om ongestemde gitaren te horen samenspelen. Ik heb me afgevraagd: indien het een gewoonte is om regelmatig met ongestemde gitaren te spelen of dan de spanning/ onrust in de groep toeneemt. Het kan haast niet anders?: het wringen van super kleine secundes moet zich toch ergens uiten via het lichaam ?
Stemmen is gericht luisteren. De vraag is of je met kinderen tussen de 6 en 9 jaar ook het stemmen moet behandelen. Experimenten tijdens lessen hebben aangegeven dat ze vrij makkelijk hoog en laag van elkaar kunnen onderscheiden indien het interval niet al te groot is. Theoretisch gezien kan het dus. Reinhild Brass schrijft in “Mens en Muziek” dat vanaf het 9de jaar het toon-beleven in het kind opduikt. Dit zou een reden kunnen zijn om vanaf die leeftijd met het stemmen actiever bezig te houden, omdat je wel de juiste toon innerlijk moet kunnen beleven.
Nu enkele luisteroefeningen m.b.t. het stemmen.
1. Docent stemt de gitaar van de leerling en ontstemt met opzet een snaar. Welke snaar is ontstemt ? Deze oefening is ook goed in groepsverband toe te passen.
2. Docent laat de lage A klinken op zijn gitaar. De leerling zingt deze na, is deze hoger of lager dan de A op jouw snaar ?, draai de snaar naar de juiste toonhoogte. De volgende vragen kunnen ondersteuning bieden:
• Stel je een zee voor. Als de zee rustig is, dan zijn jouw A en mijn A goed gestemd. Als het stormt op zee, dan is jouw A nog ver van mijn A.
Vaak nemen kinderen wel snel genoegen met het stemmen van de A. Belangrijk is dat de zee helemaal rustig is en een mooie priem ontstaan.

2. Luisteren vanuit de toonbeleving
2.1 Toonduur
Een toon op een gitaar heeft een bepaalde lengte. Het verschil met melodie-instrumenten zoals viool, dwarsfluit, hoorn, etc. is dat een toon op een gitaar niet kan worden aangehouden. Dit betekent dat de toon, na aanslag, verdwijnt in een decrescendo na verloop van tijd. Hoe lang een toon klinkt hangt o.a. af van de innerlijke en fysieke intensiteit waarmee een mens een toon tot klinken laat brengen. Het is belangrijk de leerling dit fenomeen te laten ervaren via een oefening:
De docent speelt een toon b.v. een A (aanslag met de duim). De leerling mag pas zijn/haar A tot klinken brengen als de eerste A heeft uitgeklonken. Jonge kinderen vinden dit spel fantastisch, ze duiken helemaal in het klankgat van de gitaar om de laatste “lichtstaal” van de toon nog op te pakken.
Met deze oefening wordt het luisteren meteen geactiveerd. Didactische vragen:
• Hoe verloopt de overgang tussen de 2 tonen?
• Wanneer bereidt je je voor om jouw toon aan te slaan? Wat gebeurt er innerlijk?
• Wat doe je fysiek? (vinger planten, spannen, release)
Laat de leerling zelf een A spelen en net voordat deze is uitgeklonken, direct een D.
Visuele vragen:
• Hoe ontstaat de toon in de gitaar? (door beweging/trilling van de snaar, na aanslaan komt de snaar in zijn oorspronkelijke rusttoestand terug.)

2.2 Toonkleur
Hoe klinkt een toon boven het klankgat? Hoe klinkt een toon bij de kam? Hoe klinkt een toon ver boven het klankgat? Deze vragen kan de leerling beantwoorden met begrippen zoals dun, dik, wollig, scherp, etc. Welke toon bevat meer kern?
Bij jongere leerlingen is het interessant om ze de toon te laten teken op papier. Hoe ervaren ze de toon. Laat ze zelf een kleurtje uitkiezen, en kijk wat het verschil is bij de verschillende toonkleuren. Hoe klinkt een toon als deze wordt aangeslagen met de duim of nagel?, deze oefening kun je herhalen door de hoek van de vinger t.o.v. de snaar te variëren. Hierdoor ontstaan ook andere klankkleuren.
Boventonen
De kleur van een toon wordt niet alleen bepaald door het bovengenoemde. Ook de boventonen spelen een belangrijke rol. Laat de leerling op een toon de klinker u zingen. Verander nu deze u in langzaam in een oe. Wat hoor je? (de klank wordt donkerder en de boventonen lager). Ga weer langzaam van de u naar de i. Wat hoor je? Is de klank helderder of donkerder? Nu met de gitaar: Docent speelt een B, laat de leerling de lage E snaar voelen. Docent dempt alle snaren al en speelt een B. Wat is het verschil? Wat hoor je?
Hout en klank
Het achterblad van de gitaar biedt veel mogelijkheden voor percussiedoeleinden, mede gezien dat het hout op verschillende plekken van het achterblad zeer verschillend klinkt (dof, hol, helder, hoog, laag, etc.)

2.3 Toonintensiteit
De intensiteit van een toon hangt af van de voorbereiding. De intensiteit komt tot uitdrukking in de toonsterkte. De volgende opdrachten dienen om kinderen deze voorbereiding te laten ervaren:
• Stel je voor dat je een klein sneeuwballetje bent op de top van een berg. Rol nu langzaam naar beneden. Speel op de lage E snaar met de duim aanslag: in hoeveel tellen gaat de leerling van pp naar ff?.

2.4 Van geest naar materie
De meeste gitaristen (en ook pianisten) kunnen niet direct de toon vinden op hun instrument die zij horen, i.t.t. violisten. Men beweert dat het te maken heeft met de fretten van de gitaar. Hoewel je niet over een absoluut gehoor hoeft te beschikken is het mogelijk om direct een hoorbare toon om te zetten op je gitaar. Dit moet echter wel ontwikkeld worden.
De docent draait zich om en speelt een toon. De leerling zingt deze toon na en probeert deze direct op het instrument te pakken. In het begin is het zoeken en proberen. Uiteindelijk doel is om het proberen weg te laten en dat het zoeken innerlijk gebeurt. Het voordeel van deze oefening is dat je klankvoorstelling m.b.t. het instrument zich ontwikkeld. Vooral bij atonale improvisaties is deze vaardigheid van groot belang.
Bij jonge kinderen is natuurlijk het element spel van belang. Het moet wel leuk zijn en uitdagend voelen om meteen de juiste toon te vinden op je instrument. In groepsverband kun er ook makkelijk een improvisatiespelletje van maken door te gaan improviseren op een toon. Wat zijn de mogelijkheden?

2.5 Toonhoogte
Toonhoogte kunnen onderscheiden is een elementaire vaardigheid. Bij sommige jonge kinderen is deze vaardigheid nog niet aanwezig en moet het nog worden ontwikkeld. De docent speelt 2 tonen: vraag: welke is hoger, de eerste of de tweede. Laat het kind ook proberen na te zingen. Een andere oefening voor jonge kinderen is de volgende: de kinderen kiezen een voorwerp in de ruimte. Een kind wordt geblinddoekt en de andere kinderen proberen de geblinddoekte met hoge tonen (warm) en lage tonen (koud) het kind naar de juiste plaats te leiden. Als variatie kan ook voor warm=hard en koud=zacht worden gekozen.


3. Luisteren vanuit de beweging
De relatie tussen twee tonen van een interval is een innerlijke beweging. Dit geldt ook voor de prime. Beweging heeft ook betrekking op richting. Richting in klassieke muziek wordt meestal vertaald in richting in melodielijnen en harmonische tonale structuren.
3.1 Toonladders
Een oefening is om een toonladder met een bepaalde beweging te spelen of anders gezegd, met een bepaald gebaar. Bijvoorbeeld, de docent speelt een toonladder langzaam beginnend, snel toenemend, wachtend op de hoogste noot en geleiding terug. De leerling herhaald dit gebaar/ beweging. Deze oefening is voor gevorderden maar ook voor beginners. Het begrip “snel” moet alleen aangepast worden voor ieders situatie. Om een goede innerlijke voorbereiding te ontwikkelen is het goed om de leerling het gebaar dat de docent gespeelt heeft, eerst zo goed mogelijk te herhalen met de hand en pas daarna op het instrument te spelen. De leerling kan zelf ook een oefening bedenken voor een andere leerling of voor de docent zelf, maar voordat hij/zij speelt eerst weer de beweging maken met de hand. Op deze manier zie je ook meteen visueel dat een gemaakte beweging ook een vorm heeft. Ook kan de beweging getekend worden op papier. Op deze manier krijgt de docent ook inzicht in hoe zijn leerling de beweging ervaart. Bij jonge kinderen is de pentatonisch toonladder bijzonder geschikt. Belangrijk in combinatie hiermee is een vrije, flexibele benadering van het ritme, tempo en de maat. Toonladders zijn uitermate geschikt omdat ze een duidelijk begin en einde hebben. Belangrijk is om de oefening toe te passen in beide richtingen dus van laag via hoog terug naar laag en van hoog via laag terug naar hoog. Als variatie kan ook geïmproviseerd worden binnen een toonladder.
In groepsverband is het ook een interessante luisteroefening om door 2 of meerdere personen een bepaalde beweging door de toonladder te laten plaatsvinden. Deze oefening is echter wel voor gevorderden. Bijvoorbeeld:

Leerling 1 speelt de getrokken lijn, leerling 2 speel de gestreepte lijn en leerling 3 speelt de gestippelde lijn. De aandacht in het luisteren wordt hier gelegd in de overgangen. Probeer deze zo vloeiend mogelijk te laten verlopen.

3.2 Gebaren
Gebaren kunnen ontstaan doordat er atonaal gespeeld wordt. Een gebaar heeft een bepaalde vorm en beweging. B.v.

Legenda:
• Grootte v/d bol: bepaalde intensiteit van de toon (toonsterkte)
• Kleurverandering: bepaalde klankkleur (van zwart naar wit: van wollig naar schel/scherp)
• Bol met een streep er doorheen: staccato
• Lange streep: lengte van de toon
• Relatieve indeling: toonhoogte
Een leerling kan de opdracht krijgen om zelf een gebaar te tekenen en deze daarna te spelen. Ook kan een gebaar na enige vaardigheid ook geïmproviseerd ontstaan. Hier kan een oefening/ spelletje ontstaan tussen docent en leerling. De docent speelt een gebaar en de leerling reageert daarop. Ook kunnen leerling en docent samen één gebaar geïmproviseerd laten ontstaan.

3.3 Elementaire beweging: ritmefiguren
We hebben het tot nu toe gehad over globale bewegingen in een toonladder of de beweging van een gebaar. Echter het is ook belangrijk het luisteren te stimuleren op analytisch niveau, b.v. het herkennen van een bepaald ritmepatroon.
Oefening: kies een motief, b.v.

De docent gaat nu improviseren en de leerling klopt direct op de gitaar als het ritme geklonken heeft. Oefening: docent improviseert. Schrijf het ritmische figuur op dat het vaakst voorkomt. Ook is het belangrijk om met taal bezig te zijn. De docent leest een gedicht voor. (Zeer geschikt zijn de versvoeten, bloemlezing van metrische en rythmische gedichten van Beatrijs Gradenwitz van Bemmelen). De leerling maakt een improvisatie met het basisritme uit het gedicht.
In groepsverband heb je nog meer mogelijkheden. Bijvoorbeeld: je geeft iedere leerling de opdracht om een bepaald ritme patroon in gedachten te nemen. De opdracht is om dat ritmepatroon toe te passen in een improvisatie m.b.v. 2 tonen. Op teken van de docent zet iedereen tegelijk in. De docent moet van te voren aangeven wat de kwart is, zodat allen in een bepaald tempo inzetten. Na een tijdje stop je en vraag je aan de leerlingen om het ritmepatroon van elkander voor te doen. Dit houdt in dat de leerlingen tijdens de improvisatie heel goed naar elkaar moeten luisteren. De docent schrijft daarna de ritmes op het bord.
Een andere oefening is dat de docent een melodie speelt, waarin een bepaald ritmisch motief een aantal malen terugkeert. De leerlingen turven hoe vaak dat gebeurt.


4. Luisteren vanuit de samenhang der tonen
Het uitgangspunt van deze manier van luisteren is er een bepaalde samenhang tussen de tonen bestaat. Samenhang kan meestal ontstaan door op opleggen van een of meerdere beperking(en) en relaties. Voorbeeld:
Oefening (groepsverband): we gaan improviseren met 3 tonen. Leerling 1 bepaald welke drie tonen. Leerling 1 begint met het introduceren van een toon en leerlingen 2 en 3 kunnen nu ook beginnen te improviseren met deze toon. Als leerling 1 de tweede toon introduceert mogen ook leerling 2 en 3 gebruik gaan maken van deze nieuwe toon. Tenslotte introduceert leerling 1 de derde toon en nu mogen leerlingen 2 en 3 ook deze toon meenemen in hun improvisatie. Vragen: heeft iemand een “verkeerde toon gehoord”. Benoem de tonen die leerling 1 heeft gekozen!
Deze oefening is natuurlijk uit te breiden met meerdere tonen. Ook kan een variatie van deze oefening worden toegepast op de eerste 4 tonen van een majeurtoonladder. En als de docent 2 keer op de gitaar klopt ga je improviseren met de laatste 4 tonen van de majeurtoonladder. Ook hier is het weer belangrijk om goed te luisteren of aan de opdracht wordt voldaan.
Een andere oefening is om een leerling een aantal tonen te geven. De opdracht is nu om zelf een melodie te maken uit deze tonen.
Een andere oefening: de docent speelt een voorzin, de leerling speelt een nazin, maar de nazin moet beginnen met de toon waarmee de voorzin eindigt.
Nog een oefening: iedere leerling krijgt een toon toegewezen. De docent gaat nu al aanwijzend het liedje laten klinken. Vervolgens wijst de docent niet meer aan, maar dan probeert de groep het lied zelf tot klinken te brengen. Hierbij leren de leerlingen goed naar elkaar te luisteren en ze worden eigenlijk verplicht om tijd te nemen voor de voorbereiding/ innerlijk mee bewegen.
Andere oefening: docent speelt een liedje voor. Hoe vaak komt een bepaalde noot voor?