Stan - Gitarist, Spaanse Gitaarmuziek, Bossa Nova, Spaanse Muziek
 

 

 

MUZIEKGESCHIEDENIS

Essay Nieuwe Dansen

© Stan Kuunders – http://www.degitarist.nl

Nieuwe dansen

In klassieke periode richtte men de kunstbeschouwing in de eerste plaats op de mensen en smaak van het publiek. De kunst was imitatie en had als functie het publiek te ontroeren. Het technisch vakmanschap van de kunstenaar stond daarbij centraal. De romantici daarentegen verlegden het accent naar de kunstenaar zelf en het creatieve proces dat deze kunstenaar doormaakt. De creaties reflecteerden het gevoelsleven, de emoties en de persoonlijke beleving van de wereld om hem heen. Het kunstenaarschap functioneerde niet langer meer als ambacht, maar als een gave. In het kader van dit essay speelt een bepaald kenmerk van de romantiek een belangrijke rol namelijk het verleden . Dit aspect is af te leiden door de opkomst van de historische drama en roman. Deze belangstelling voor het verleden ging ook gepaard met een sterk groeiende nationale bewustzijn, vooral in landen waar voor vrijheid en onafhankelijkheid werd gestreden. In de muziek kwam deze belangstelling tot uitdrukking in de toepassing van folklore en volksmuziek in de kunstmuziek.

 

Mazurka

Dit is een Poolse spring of draaidans.en staat vaak in een snelle ¾ of 3/8 maat. Er komen veel gepunteerde ritmen voor (hop figuren) op de eerste tel van de maat. Van oorsprong is het dus een volksdans, maar vanaf 1600 was de dans ook in de Poolse adel zeer geliefd. Componisten zoals Chopin, Szymanowsky en Wieniawsky schreven vele mazurka's.

In de mazurka versmelten komen elementen voor van oudere dansen zoals de kujawiak en oberek. De kujawiak staat bij voorkeur in een mineurtoonsoort, is lyrisch, ritmisch vrij ingewikkeld en heeft een rubato karakter. Ook is deze dans langzamer dan de Mazurka en rijk versierd. De Oberek is ritmisch simpel en er komen grote intervalsprongen in voor. De melodieën staan vaak in een kerktoonsoort.

Het ritmische patroon van de Mazurka is als volgt:


Polonaise

De polonaise is ook van Poolse afkomst. Zij heeft een driedelige maatsoort en een ritme waarin groepen zestienden worden afgewisseld door groepen achtsten. De zestienden komen bij voorkeur aan het begin en het einde van de maten. Het tempo is rustig. Het basisritme is als volgt:

De polonaise is ontstaan als een boerendans, maar vanaf de 16 e eeuw raakte deze dans populair aan het Poolse hof en later ook in Duitsland en Scandinavië (polska).

 

Polka

Deze snelle paardans is een gezelschapsdans in een 2/4 maatsoort. Zij is van Tsjechische afkomst en is gedurende de 19 e eeuw zeer populair geworden in Praag, St. Petersburg, Wenen en Parijs. Componisten zoals Smetana en Strauss schreven vele Polka's. Ook in het begin van de 20 e eeuw bleef de polka doorbestaan denk o.a. aan de Circuspolka van Stravinsky. Na de tweede wereldoorlog is de Polka vrijwel geheel uitgestorven. Het typische ritmische figuur is als volgt:

De onderste 2 balken geven typische tegenritmen aan.

 
Mars

De mars werd natuurlijk veel gebruikt in het leger en had als doel de manschappen gelijkmatig in hetzelfde tempo te doen laten marcheren. Het staat in tweedelige maatsoorten. Het tempo is matig snel en de melodie is vrij eenvoudig. De muziek bevat een bepaalde hoekigheid. Het vorm schema is dat van de da-capo vorm (ABA). Het middengedeelte staat in een afwijkende toonsoort (vaak in subdominant en bij marsen in mineur vaak de parallel).

De mars bestaat als sinds de middeleeuwen en men kende in die tijd ook gezongen marsen in de vorm van processieliederen (kruisvaarders, huurlingen. Wanneer deze liederen begeleidt gaan worden met fluit en trompetten spreekt men pas echt van mars muziek.

Het ritmische figuur van de mars is als volgt:

De onderste twee balken representeren weer enkele tegenritmen. Uit de basismars hebben zich vele andere marsen afgesplitst zoals de treurmars (Beethoven derde symfonie), bruiloftsmars (midzomernachtsdroom van Mendelson), triomfmars (Aida van Verdi) en de Turks mars (die Ruinen von Athene van Beethoven).

 

Wals

De Duitse wals is ontstaan uit vroegere volksdansen zoals de Landler, Dreher en Hopser. Zij onderscheid zich van deze vroegere dansen doordat de wals een tamelijk hoger tempo heeft. De dans staat in een driedelige maatsoort. Het is een draaidans voor paren, waarbij de voeten over de grond zweven. Dus geen stamp bewegingen. De authentieke wals noemt men de Weense wals. Karakteristieken zijn:

•  Majeurtoonsoort

•  Regelmatige periodebouw

•  Veel voorkomende hemiolen:

Naast de Weense wals bestaat er ook de Franse ofwel de Parijse wals, die uit drie delen bestaat:

•  Eerste deel: andantino valse

•  Tweede deel: sneller sauteuse

•  Derde deel: snell 6/8 maat jete

Verder bestaat er nog de Engelse wals. Hieronder een overzicht van de ritmische figuren.

Een typische componist van de Weense wals was natuurlijk Straus Sr. en Jr. Andere componisten zoals Chopin, Brahms, Schumann en Listz hebben veel de wals gebruikt in de kunstmuziek, maar niet zo zeer om op te dansen. Zelfs in het orkestrepertoire kan deze dans terugvinden zoals bij Berlioz (Symfonie Fantastique) en Mahlers negende symfonie.

 

Karakterstukken

Een karakterstuk is volgens Sesam een kort instrumentaal stuk (voor een eenvoudige bezetting) dat een buitenmuzikale titel draagt en waarvan de vorm niet perse vast hoeft te liggen. Het heeft een heldere structuur. Karakterstukken zijn al in de 16 e en 17 e eeuw bij luitisten en klavecinisten aan te treffen. Affectenleer en nabootsingstheorie spelen een belangrijke rol. Grootmeesters op dit gebied uit de 19 e eeuw zijn Mendelsohn, Schumann, Chopin en Grieg. Karakterstukken kunnen op 2 manieren ontstaan:

•  de componist schrijft een stuk vanuit zijn muzikale fantasie en geeft het daarna een buitenmuzikale titel;

•  de componist gaat uit van een buitenmuzikaal thema (gedicht, persoon, landschap) en probeert de stemmingsinhoud over te brengen via de muziek.

Normaliter worden karakterstukken in de ruime zin opgepakt en dan kunnen de volgende vormen daaronder vallen: preludes, impromptu's, capriccio, Lied ohne Worte en andere. Veel karakterstukken zijn al ontstaan in de barok. In de klassieke periode heeft men geen aandacht besteed aan de zojuist genoemde vormen, maar in de romantische periode stonden karakterstukken weer in de belangstelling doordat de romantici teruggrepen naar het verleden zoals in het begin van dit essay ook al was opgemerkt. Volgt nu een overzicht van enkele typische karakterstukken uit de romantiek.

Prelude

Een prelude heeft vaak een volgehouden rhythmische figuur en is bijna altijd instrumentaal. Het heeft een homofone karakter en een rijke obligate begeleiding. Obligaat betekent in deze context welbedacht en kunstig een uitgewerkte begeleiding opschrijven. Een prelude is ook gebaseerd op een of twee muzikale gedachten. Bekende preludes zijn die van Chopin en Debussy. Bach schreef ook al preludes, die vooraf gingen aan fugas. In de barok had deze een vrije vorm en veranderde niet van karakter. Men had verschillende types zoals o.a. arpeggiotype, speelfigurentype, tocatta type, ariatype, inventietype en triosonatetype. In de klassieke tijd gebruikte men de prelude niet. In de 19 e eeuw maakt de prelude zich dus los van de Fuga.

Capriccio

Dit karakterstuk heeft een geestig, luchtig en soms grillig karakter en is verwant aan de scherzo. De capriccio dateert uit de 16 e eeuw en was toen verwant aan de fantasia. Oorspronkelijk stemt deze uit de vocale muziek. In de 16 e eeuw wisselde polyfone en homofone schrijfwijze elkaar af in deze vorm. Ook kwamen er virtuoze toonladder passages in voor. In de 18 e eeuw noemde men oefenstukken met speeltechnische moeilijkheden capriccio. In de 19 e eeuw wordt het dus een karakterstuk. Beethoven heeft vele capriccio's geschreven.

Lied ohne Worte

De naamgeving komt van Mendelsohn en heeft de betekenis van een kort melodieus instrumentaal stuk. Het werd vaak voor piano geschreven. Een vaste kenmerk is de aanwezigheid van een liedmelodie, in de vorm van een uitgesproken cantilene met een constante volgehouden begeleidingsfiguur. Met cantilene bedoel ik een zoete, zangerige, dromerige en uitgesproken melodie van enige lengte. Toen in de loop van de 20 e eeuw de melodie een minder belangrijke plaats in nam, stierf deze vorm uit. De laatste vindt men bij Schönberg.

Impromptu

In de 17 e eeuw werd het woord impromptu gebruikt door sneldichters voor een geïmproviseerd poëem. Deze had betrekking op zowel de handeling op het toneel als op actuele situaties in de steden en politiek. Pas in de 19 e eeuw kreeg het een muzikale betekenis. Het krijgt dan de betekenis van een snel geschreven werk of van een werk dat de indruk werkt alsof het snel geschreven is. Het is voornamelijk een instrumentaal werk met een improvisatorisch karakter, meestal geschreven in een driedelige liedvorm. Beroemd zijn de impromptu's van Schubert, Liszt en Chopin.

Download dit essay in pdf formaat.