Stan - Gitarist, Spaanse Gitaarmuziek, Bossa Nova, Spaanse Muziek
 

 

 

MUZIEKGESCHIEDENIS

Essay Oude dansen en de Barok Suite

© Stan Kuunders – http://www.degitarist.nl

Oude dansen uit de Renaissance: Pavane en Gaillarde

Samen dansen was een veel voorkomende en gewaardeerde bezigheid in de Renaissance. Opgeleide vrouwen en mannen behoorde perfect de kunst van het dansen te beheersen. Dit weten we omdat er zogenaamde danshandleidingen werden bijgehouden. De eerste die zijn bewaard gebleven werden geschreven in 1450 en 1455 in Italië. Deze handleidingen die later ook ontstonden in Frankrijk en Engeland geven ons een inzicht in deze belangrijke sociale activiteit: het dansen.

Een groot gedeelte van de instrumentale muziek uit de 16 e eeuw bestond uit dansstukken voor luit, toetsinstrumenten samen met andere instrumenten zoals tamboers, fluiten en trompettisten. Deze muziek werd niet meer geïmproviseerd maar opgeschreven in tablatuur. De instrumentale stukken hadden in het algemeen een regelmatige ritmische structuur en zijn onder te verdelen in secties die zich van elkaar onderscheiden. Contrapuntistische elementen komen zelden voor tussen melodische lijnen. De hoofdmelodie kan wel veel versierd en gekleurd zijn. De instrumentale dansvormen kwamen meestal voor in paren of trios. Eigenlijk vormen deze dansen de basis voor de suite die later in de Barok verder zal worden ontwikkeld. Een veel voorkomende combinatie was eerst een langzame dans in een binair maatsoort en daarna een snelle dans in een driedelige maatsoort, beiden gebruikmakend van dezelfde melodie. De tweede dans was vaak dus een variatie van de eerste, een soort snelle spring of draaidans. Een combinatie van 2 dansen was de basse danse met als nadans de Italiaanse saltarello. Vanaf ongeveer 1600 was de Franse (andere beweren Italiaanse) gaillarde meer geliefd. De basse danse was de hofdans in Frankrijk, de Nederlanden en Noord-Italië in de tweede helft van de 15 e en het begin van de 16 e eeuw. Een basse dans betekent eigenlijk een lage dans, waarbij dus niet wordt gesprongen. De voeten maken slechts schuivende passen. Later werd de basse danse vervangen door de pavane (afgeleid van het Italiaanse stadje Padua (lekkerste Italiaanse ijs van Europa hebben ze daar).

In het navolgende zal ik de pavane en de gagliarde nog iets verder uitdiepen.

Interessant is op te merken dat de dansvormen niet een vaste gedefinieerde vorm kenden. Dit blijkt zo uit de handboeken die men gevonden heeft. In Thoinot Arbeau's dans handboek is de pavane hoofdzakelijk een geïmproviseerde dans met voetornamenten. De Engelse pavane was simpel en gechoreografeerd. De Italiaanse pavane was weer ingewikkeld daarentegen met een gagliarde en andere secties. Zoals ook uit het bovenstaande plaatje blijkt is de pavane bedoeld voor meerdere paren. Zij heeft haar bloeitijd ervaren van begin 16 e eeuw tot einde 17 e eeuw. Het algemene ritmische patroon is als volgt:

Opmerkelijk is dat de instrumentale vorm van de pavane vele eeuwen heeft doorleefd, hoewel de dans zelf al lang was afgeschaft. Denk maar aan Pavane pour une Infante defunte van Maurice Ravel.

Ook de gaillarde is bedoeld voor meerdere paren hoewel er een vorm van de gaillarde bestaat, de lavolta, die bedoeld was voor een paar. Tijdens deze laatste heeft het paar een nogal intieme houding, de vrouw wordt in de lucht getild, terwijl het paar ¾ ronddraait. De gaillarde kenmerkt zich door een regelmatige periodebouw en homofone zetting. De melodie is vrij eenvoudig en doet vocaal aan. Het tempo is hoog en het ritme soepel. Het ritmische patroon is als volgt:

De dansvormen uit het begin van de 16 e eeuw hadden weinig gemeen met de vocale muziek en gingen zich gedurende de 16 e eeuw vrij ontwikkelen als echte instrumentale muziek. Dit had een belangrijke ontwikkeling tot gevolg: instrumentale dansmuziek ging zich zo ontwikkelen dat ze op den duur eigenlijk niet meer gebruikt werden om op te dansen. Ze behielden wel de ritmische eigenschappen en de algemene opzet van de originele dansen. Vergelijk het maar met de walsen van Chopin, waar men ook niet op gaat dansen. Enkele belangrijke componisten van niet dansbare pavane's zijn: William Byrd, Giles Farnaby en Jan Sweelinck.

De Brok Suite

Een suite bestaat uit een verzameling dansen met elk hun eigen tempo, ritmes en sfeer. De suite is eigenlijk een voorzetting van de “techniek van de thematische variatie”, dat al ontstond in de 16 e eeuw (namelijk pavane-gaillarde, Tanz-Nachtanz, passamezzo-saltarello).

Sommige suiten zijn gebaseerd op een melodisch idee, dat zich herhalend manifesteert in verschillende vormen in alle dansen.. In de andere suiten is de techniek meer subtiel, waarbij de luisteraar slechts kan worden herinnert aan de hoofdmelodie.

Wanneer de suite precies is ontstaan is me niet helemaal duidelijk geworden. Johann Hermann Schein heeft in 1617 de 20 suites van Bachetto musical gepubliceerd. Elke suite bestond uit 5 delen: paduana, gagliarda, courente, allemande en een tripla welke een driedelige variatie is van een allemande. Elke dans begon met een intrade, welke een feestelijk karakter had. De dansen waren echt bedoeld om te dansen, dit nog in tegenstelling in de bloeitijd van de barok, wanneer de suite meer luistermuziek wordt. Naar het einde van elke suite krijgen de dansen steeds meer swing.

Een andere belangrijke factor die van invloed was op de uiteindelijke vorm van de suite waren de ontwikkelingen die zich in Frankrijk voordeden m.b.t. de muziek voor luit en toetsinstrumenten. De dansen ontwikkelende hier een meer eigen stijl en karakter B.v. Dennis Gaultier (1603-1672) schreef series van dansen, welke allemaal bestonden uit een allemande, courante, sarabande met eventueel andere dansen bijgevoegd. Deze Franse stijl werd uiteindelijk door Froberger naar Duitsland meegenomen. De suites van Froberger werden later, 1693, niet meer beëindigd met de langzame sarabande, maar met de vrolijke gigue.

Het zal dus nu duidelijk zijn dat we de 2 soorten suites onderscheiden, namelijk de Franse en de Duitse. De Duitse suites hielden zich streng aan de 4 delen: allemande, courante, sarabande en gigue. De Franse suite, onder invloed van cravotisten, kon wel bestaan uit 20 of meer kleinere stukken, maar de meerderheid van deze kleine werkjes hielden zich wel aan de basis ritmes van de 4 hier bovengenoemde dansen. De Franse suites waren meer melodieus en maakte gebruik van meer versieringen en humor. De Duitse suites werden natuurlijk beïnvloed door de Franse en men ging ook hier naar eigen keuze andere andamento's introduceren, maar wel na de gigue, of na of voor de sarabande. Belangrijke Duitse componisten van suites voor toetsinstrumenten zijn: Bach, Haendel, Froberger, Krieger, Fischer, Kuhnau, Bohm, Pachelbel. In Engeland was Henry Purcell de belangrijkste. Voor de luit waren Esajas Reusner en Silvius Leopold Weiss (luistervoorbeeld: cd van Pavel Steidl) de belangrijkste.

In het onderstaande volgen nu de muzikale eigenschappen en achtergronden van de 4 hoofd dansen van de suite:

Allemande (waarschijnlijk van Duitse oorspong)

De allemande kent een tweedelige vorm in een tweedelige maatsoort. Zij bevat een zekere statigheid en een korte opmaat. Rustig tempo met veel 16 e figuren. Het ritme is als volgt:

Italiaanse en Engelse componisten waren behoorlijk vrij met de allemande vorm. Ze maakte veel gebruik van contrapuntische technieken en het tempo varieerde veel. Corelli schreef allemandes van Largo tot Presto.

 

Courante (Franse dans)

Courante betekent letterlijk: rennen. Deze vlugge dans heeft een 3/2 maat. De Italiaanse variant is vanaf 1650 sneller. Het ritme is als volgt:

In oudere suites, is de courante vaak thematische gerelateerd aan de allemande.

 

Sarrabande (Spaanse dans)

Deze dans is van Spaanse afkomst (oorspronkelijk in de 12 e eeuw door de moren naar Spanje gehaald) en heeft een driedelige maatsoort zonder opmaat, is plechtig en majestueus. Het ritmische figuur is als volgt:

De halve noten corresponderen met slepende stappen tijdens de dans. Zij heeft een langzaam tempo. Misschien de meest beroemde sarrabande is “la folie espagnole” (anoniem), omdat haar melodie door vele componisten wordt gebruikt (Monteverdi, Corelli).

 

Gigue (Schots-Ierse dans)

De gigue is een snelle dans in een tweedelige maatsoort (doorgaans een 12/8 maat, ook een 6/8, 4/4 en soms een 3/8 maat) met een opmaat. De gigue heeft vaak grote melodische sprongen met een levendig tempo. Vaak heeft zij ook een fugato karakter. Het tweede deel van een gigue heeft vaak hetzelfde thema als het eerste maar dan omgekeerd. De vorm is i.h.a. AABB. Het ritmisch patroon is als volgt:

 

Froberger heeft zoals eerder opgemerkt de gigue voor het eerst toegepast in een suite. Later heeft Bach de vorm verder uitgewerkt (vaak polyfoon). De Italiaanse gigu is snel, strak-motorisch, gewoonlijk in een 12/8 maat, polyfoon (door de toepassing van gebroken drieklanken), soms bijna homofone zetting. Men vindt dit type gigue, behalve bij Corelli, Vitali ook bij Haendel, die belangrijke leerjaren in Italië door heeft gebracht.

Later werden er nog meer dansen toegevoegd/ingelast aan de suites zoals de Gavotte, Bouree en Menuet.

Download dit essay in pdf formaat.