Stan - Gitarist, Spaanse Gitaarmuziek, Bossa Nova, Spaanse Muziek
 

 

 

MUZIEKGESCHIEDENIS

Essay over Spanje en de Spaanse Gitaarmuziek

© Paulien Ongering – http://www.degitarist.nl

INHOUDSOPGAVE

 

 

 

 

Voorwoord

 

 

Hoofdstuk 1:   SPANJE  ALGEMEEN

 

                        Geografie         - Fysische geografie

                                                - Spanje nu

                                                - Volksaard

                                                - Taal

                                                - Fiestas

 

                        Geschiedenis   - Algemeen

                                                - Beeldende kunst-Architectuur-Literatuur

 

 

 

Hoofdstuk 2     MUZIEK VAN SPANJE

 

                        Spaanse Volksmuziek algemeen

                                                - Idioom

                                                - Spaanse gitaar

                                                - Castagnetten

                                                - Teksten

                                                                       

                        Spaanse regio’s en hun muziek

                                                - Gallicië

                                                - Asturië

                                                - Baskenland

                                                - Valencia

                                                -  Catalonië

                                                -  Castilië-La Mancha

                                                - Madrid

                                                - Canarische eilanden

                                                - Andalusië

                                                           

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 3      FLAMENCO

 

                        Geschiedenis

                        Flamenco nader bekeken

                                                - Waar het om gaat

                                                - Melodie

                                                - Ritme

                                                - Harmonie

                                                - Toonsoorten

                                                - Tekst

                                                - Begeleiding

                                                - De flamencogitaar

                                                - Oosterse elementen

                                                - Andalusiërs en Gitanos

                                                - Zigeunermuziek algemeen

                                                - Flamencovormen

 

 

 

Hoofdstuk 4     KUNSTMUZIEK

                                   

                        Componisten

                        Musici

                        Bespreking orkestwerken

                                                - Bolero van Ravel

                                                - Concierto de Aranjuez van Rodrigo

                                                - La Casa de Las Musiquillas Occultas van

                                                   van der Harst

 

 

Hoofdstuk 5     LESSEN

                        LUISTERSTUKKEN

                        PIANOSTUKKEN

 

 

Literatuurlijst

 

                                               

 

                                                                                   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorwoord

 

Volksmuziek van onze aarde heeft mijn hart en de keuze voor een land of volk ter beschrijving was  niet onmiddellijk voor de hand liggend. Keltische muziek is voor mijn bijzonder en Ierland zou een keuze geweest kunnen zijn, maar vrees niet genoeg informatie te kunnen vinden heeft mijn gedachte naar Spanje gebracht. Daar is immers ook keltische muziek en flamenco is een onderwerp waar ik altijd al meer van had willen weten, dus zo gedacht, zo gedaan.

Mijn kennis van Spanje was zeer beperkt, dus met enthousiasme heb ik deze kans gegrepen.

Bij bestudering van het land Spanje is een enorme veelzijdigheid gebleken.

Zowel in de geografie als de muziek. Toch blijft het spaanse muziek-idioom duidelijk herkenbaar.

Een uitzondering hierop vormt misschien de keltische muziek, die zowel spaans als iers, schots of bretons kan klinken!

Ik had graag de regionale verschillen verder uitgediept, maar dat zou een paar jaar werk geven, dus voorlopig blijft het bij een voorzichtige en beknopte vergelijking.

Bij spaanse muziek zal iedereen aan flamenco denken. Deze muziekstijl komt dan ook wat ruimer aan de orde.

Ik heb een cd-tje toegevoegd, waarop diverse voorbeelden van spaanse volksmuziek, én hieraan gerelateerde muziek te horen zijn.

 

Rest mij te zeggen dat ik met zeer veel plezier aan dit werkstuk gewerkt heb; ik weet nu heel wat meer van Spanje. Ik heb ontdekt dat haar rijke en levendig cultuur van grote invloed is geweest en dat velen er nog steeds naar teruggrijpen. Des te meer een reden om in het muziekonderwijs ruimschoots aandacht te schenken aan de prachtige, passionele en tot de verbeelding sprekende muziek van Spanje.

 

februari 2006

Paulien Ongering

ODM Helicon Zeist

 

HOOFDSTUK 1         SPANJE ALGEMEEN

 

GEOGRAFIE

 

FYSISCHE GEOGRAFIE

 

 

Spanje vormt samen met Portugal het Iberisch schiereiland. Het kent grotendeels natuurlijke grenzen: 3.900 km kust, een hooggebergte als afgrenzing van Frankrijk en gedeeltelijk ook natuurlijke grenzen met Portugal. De oppervlakte is 505.000 km2, wat ruim twaalfmaal Nederland is.

Op Zwitserland na, is Spanje, ondanks zijn lange kusten, het land met de hoogste gemiddelde hoogte van Europa: 660 m boven de zeespiegel. Madrid is de hoogst gelegen hoofdstad van Europa. In Spanje overheerst de ruimte, dorpen zijn schaars. Allerlei bergketens schermen Spanje bijna geheel af van  zee-invloeden: het Cantabrisch gebergte, de Sierra Gredos en de Sierra de Guadarrama, de Sierra Morena , de Sierra de Segura en de Sierra de la Demanda.  De bergen hebben dus een enorm invloed op het klimaat, de ontwikkeling van het land, op landbouw en industrie, op de verbindingen en de hele geschiedenis van Spanje.

Aan de voet van de bergketens vindt men de meest uiteenlopende landschappen, zoals de okerkleurige stofgebieden van Extremadura, de weelderige groene valleien van het noorden, de olijf-en sinaasappelboomgaarden van Andalusië, de rijstvelden van Levante, het palmenwoud van Alicante en de rotskusten van veel streken. Nergens in Europa treft men op zo’n korte afstand zoveel variatie aan landschappen aan.

 

Rivieren

De zeven belangrijkste rivieren, qua lengte en hoeveelheid water zijn : Tajo, Ebro, Duero, Guadiana, Guidalquivir, Jucar en Segura. De enig bevaarbare rivier is de Guadalquivir, vanaf Sevilla stroomafwaarts. De overigen hebben te weinig water of teveel stroomversnellingen. De Ebro wordt gebruikt voor bevloeiing. Een unieke rivier voor Europa is de Guadiana : deze verdwijnt plotseling geheel onder de grond om kilometers verderop weer op te duiken.

 

Flora en fauna

Door reliëf, klimaat en bodemgesteldheid is er geen land in Europa met zo’n grote natuurlijke variatie aan dieren en planten, terwijl er tegelijkertijd door droogte ook een gebrek aan begroeiing is. In het natte gedeelte vindt men veel loofbossen en veel natuurlijke weilanden. In de hooggebergtes vindt men mossen en korstmossen. In de steppen harde grassen. In gebieden met het mediterrane klimaat bestaat de vegetatie uit harde grassen, oleander, brem, laag struikgewas zoals rozemarijn en bomen met blijvend blad, zoals de kurkeik en de pijnboom. Meer naar het zuiden zijn er subtropische invloeden en vindt men er palmen, agaven en vijgcactussen. Bij Alicante bevindt zich het enige dadelpalmen bos van Europa.

De fauna is gedeeltelijk europese en gedeeltelijk afrikaans van oorsprong. In het groene Spanje treft men lammergieren, wezels, gemzen, berggeiten, wolven en enkele grauwe beren aan. In het droge Spanje zijn ook lynxen, ooievaars, flamingo’s en nog wat Spaanse berggeiten. In het voorjaar wordt Spanje veel bezocht door trekvogels. Men vindt in Aragon de grootste concentratie kraanvogels in Europa.

 

De negen natuurlijk gebieden van Spanje

Een natuurlijk gebied is een gebied met min of meer gelijke bodemgesteldheid, landschap, klimaat en begroeiing. In Spanje onderscheidt men negen van deze gebieden:                                                                                        

 

Centraal Plateau                                   de Meseta Central

Gallicië                                     Gallicia

het Cantabrisch Kustgebied                  Région Cantabrica

het Stroomgebied van de Ebro  Depresson del Ebro

Catalonié                                              Cataluna

Levante                                                Région Levantina

Andalusië                                             Andalucia

De Balearen                                         Islas Baleares

Canarische eilanden                              Islas Canarias

 

Klimaat

Het klimaat is er een van uitersten. In januari kunt u zwemmen bij de Canarische eilanden, terwijl Basken doorweekt raken van de txirimiri (mist-motregen), Castilianen dubbelgevouwen een striemende wind trotseren, Andalusiërs zich koesteren in een zacht zonnetje en Catalanen over skipistes naar beneden suizen. Ook zijn er enorme schommelingen tussen de seizoenen en tussen dag en nacht.

Op sommige dagen meet men in Sevilla meer dan 50º, maar in Teruel, in het Randgebergte in het oosten, komt extreme kou van -30º voor! Ook de hoeveelheid neerslag varieert enorm. In het noorden en noordwesten valt genoeg regen en spreekt men van het groene Spanje.

De rest van Spanje heet ‘droog’ door te weinig neerslag.  Afnemende regen, erosie door wind of stortregens, verwoestijning en toenemend waterverbruik zorgen voor veel problemen.

 

Men kan Spanje indelen in zes klimaatzones, al dan niet verspreid.

 

A. In het noordwesten en noorden heerst een Atlantisch Zeeklimaat met veel neerslag gedurende het hele jaar. De zomers zijn er koel, de winters gematigd.

B. Langs de Middellandse Zee en in West- Andalusië heeft men een Middellands Zee-klimaat met zeer warme en droge zomers en zachte winters, waarin meer regen valt.

C. Het hele middengebied heeft een landklimaat met zeer warme, droge zomers en koude winters met meer regen.

D. In de hooggebergten heerst een bergklimaat met gemiddeld lagere temperaturen en meer neerslag dan de omringende gebieden.

E. In delen van Léon, Aragon, Canarias, en in het zuidoosten komen steppegebieden voor met zeer hete zomers. Het is er extreem droog.

F. Op de Canarische eilanden heerst een sub-tropisch klimaat waarvan de regenval afneemt van het waterrijke westelijke La Palma naar de zeer droge oostelijke eilanden. Fuerteventura heeft zelfs gedeeltelijk een woestijnklimaat.

 

 

SPANJE NU

 

Spanje heeft nu ruim 40 miljoen inwoners. Het meest dichtbevolkt zijn de kustgebieden en de regio Madrid in het centrum van Spanje. De regio’s in de binnenlanden raken ontvolkt. Spanjaarden keren alleen nog voor de traditionele feesten naar hun geboortegrond.

Sinds 1980 trekt Spanje veel immigranten, vooral uit Zuid-Amerika en Noord-Afrika. Sommige bevolkingsgroepen onderscheiden zich duidelijk va de rest: de Catalanen in het noordoosten, de Basken en Galliciërs in het noorden en de Gitanos, zigeuners.

 

Spanje heeft sinds Franco’s dood 17 autonome regio’s, die elk een eigen regering hebben.

De 17 autonome regio’s van Spanje zijn:

Gallicië, Asturië, Cantabrië, Baskenland, Navarra, La Rioja, Aragon, Catalonië, Castilië-Léon, Castilië-La Mancha, Extemadura, Valencia, Murcia, Madrid, Andalusië, Balearen, Canarische eilanden.

De belangrijkste steden zijn: Madrid, Barcelona, Sevilla, Granada, Cordoba, Valencia,  Toledo, Zaragoza, Bilbao, Santiago de Compostella, Malaga, Jerez de la Frontera.

 

In vergelijking met andere landen was Spanje lang een agrarisch land. En nog steeds is Spanje een belangrijke leverancier van agrarische produkten, met name wijn en olijven. De industrialisatie kwam laat op gang. Door de late en snelle industrialisatie heeft Spanje zich moeten richten op goedkope consumptie-artikelen. Maar Spanje kon toch niet concureren met Azië en Afrika en dit leidde tot werkloosheid. Deze werd nog vergroot doordat Spaanse gastarbeiders terugkeerden. Pas sinds 1990 gaat het weer beter. Onderzoek en ontwikkeling blijkt niet Spanjes sterkste punt.

Voor toeristen heeft Spanje veel te bieden: en prettig klimaat, mooie stranden, historische steden, rustieke dorpjes, prachtige landschappn en veel folkloristische feesten.

Spanje is sterk beivloed door het Rooms-Katholicisme, dat eeuwenlang een belangrijke rol speelde in de kunst en het persoonlijk leven van de Spanjaarden. De kerk had nauwe banden met dictator Franco. Maar, net als in de rest van Europa verliest de kerk aan belang.

 

Spanje onderscheidt zich nauwelijks meer van de andere westerse consumptiemaatschappijen in de rest van Europa. Sinds 1960 is er in sneltreinvaart geindustrialiseerd, geurbaniseerd en gedemocratiseerd. De zwarte bladzijden van dictatuur worden gewoon omgeslagen, maar onderhuids blijft er een hoop onrust.

 

VOLKSAARD

 

Spanjaarden zijn in de eerste instantie lid van de familie, dan lid van de dorpsgemeenschap of inwoner van zijn stad, dan inwoner van een provincie, regio en als laatste zijn ze Spanjaard. Dit komt natuurlijk doordat Spanje lang geïsoleerd is gebleven. Het zijn emotionele, passionele mensen, die het hart boven het verstand achten, hoewel het er bij begrafenissen ingetogen aan toe gaat. Ze zijn trots en spotten met de dood. Over persoonlijke kwesties zijn ze ook niet erg open. Ze zijn ongeduldig en onstuimig. Ze hebben een slaafse bewondering voor de sterke man. Ze praten graag, roddelschandalen zijn altijd een succes. Ze zijn gretig naar het nieuwe: geen land dat zo snel en massaal aan de mobiele telefoon hing; de dingen kunnen snel veranderen. Ze zien zichzelf graag als tolerant, gastvrij en open. Achter een façade van Europees welvaren gaat een doolhof schuil. Een echte eenheid is Spanje niet. Er wordt gezegd dat Spanje een cultuur van rivaliserende stammen is bijeengehouden door voetbal, feesten en de loterij. Ze zijn gek op gokken en voetbal namelijk. De macho-cultuur is hen niet vreemd. De conservatieven willen Spanje beter voordoen dan het in werkelijk is, de progressieven schamen zich dan weer voor die houding en neigen naar depressie. De Spanjaard is verder een individualist.

Steiner noemt de volksziel van Spanje een voorbeeld van een gevoelsziel, verwant aan de volksziel van het oude Egyptische volk, om niet te zeggen puberaal?

 

 

 

DE TAAL

 

Er worden in Spanje vier grote talen gesproken, elk is officieel in bepaalde gebieden:

 

- Spaans (castellano of español), 74%, de officiële taal in heel het land, zoals               verplicht door de huidige Spaanse grondwet van 1978.

- Catalaans (català of valenciáno), 17%, in Catalonië , de Balearen en een deel van   de Autonome Gemeenschap Valencia (València). In het onafhankelijke   dwergstaatje Andorra is het Catalaans de officiële taal.

- Baskisch (euskadi), 2%, in Baskenland en het noorden van Navarra.

- Galicisch (gallego), 7%, in Galicië

- Asturisch (asturleonés of bable) in Asturië en een klein deel van Castilla y León. Deze taal wordt echter door veel taalkundigen als een dialect van het Spaans gezien.

 

 

Catalaans, Galicisch en Castiliaans (de laatste wordt over het algemeen Spaans genoemd, omdat het sinds de 16de eeuw de officiële taal van heel Spanje is) stammen alle af van het Latijn en hebben, net als het isolaat Baskisch, vele dialecten. Sommige varianten, zoals het Asturisch of Bable in Asturië en een deel van Castilië en León, het Aragonees in een deel van Aragon, en het Aranees (een dialect van het Occitaans in Val d'Aran in de noordwestelijke punt van Catalonië) hebben een officiële status. Het Spaans dat in Latijns-Amerika wordt gesproken, stamt af van het Spaanse dat in het zuidwesten van Spanje (Andalusië en Extremadura) wordt gesproken, omdat vanuit hier de ontdekkingsreizen gedaan werden.

 

Het Castiliaanse Spaans (bekend als Castellano) is de officiële taal in Spanje en wordt overal begrepen.

 

Tijdens de tijd van de dictatuur van Franco die in 1975 beëindigde, werden alle regionale talen samen met afzonderlijke regionale identiteiten onderdrukt. Maar in modern Spanje zijn zij steeds belangrijker geworden, en velen hebben nu de status van officiële taal naast Castiliaans Spaans.

 

FIESTA’S

 

Het fiesta van een dorp of een stad is voor iedereen het excuus om zich volledig uit te leven. Spanjaarden grijpen elke aangelegenheid aan om feest te vieren. Traditie staat hoog in het vaandel. Feesten ter ere van beschermheiligen zijn de meest voorkomende, maar allerlei seizoensgebonden, historische en religieuze gelegenheden worden evenzeer gevierd. Kostuums, eten en drinken, zingen en dansen zijn belangrijke ingrediënten. We zien: nagebootste veldslagen tussen moren en christenen, wijngevechten in Rioja, het los laten hollen van stieren in Iruna, vreugdevuren, hoge menselijke pyramides in Catalonië, het brandmerken van paarden in Gallicië, doodskistraces in La Mancha, mannen in dierenvellen en -maskers op Mallorca, zweepknallende boemannen in Extremadura, een genotvolle bedevaart naar El Rocio van bijna een miljoen mensen uit heel Andalusië-het zijn alle vaste feestdagen.

 

Semanana Santa

Het belangrijkste feest is wel Semana Santa, de goede week voor Pasen. Godsdienst wordt hier beleeft door actie, in dramatische voorstellingen en taferelen. Het gevoel voor tragedie overheerst: het beeld van de met bloed bedekte Christus treedt nadrukkelijk op de voorgrond. Heel Spanje houdt zijn adem in, vooral in Andalusië. De stierenarena’s blijven leeg en de castagnetten zwijgen. Op dit en andere festivals worden middeleeuwse mysteriefeesten opgevoerd. Er zijn veel verschillen.

In Sevilla wordt heel de stad in gereedheid gebracht; de beelden worden gepoetst en met speciale doeken en juwelen omhangen. De dragers van de zware beelden, er zijn er wel achtenveertig voor nodig, zijn de echte helden van de Semana Santa; op elke schouder rust een gewicht van minstens 24 kilo. Vanaf witte donderdag zijn er processies. Verschillende keren houdt de processie halt en klinkt er vanaf een balkon een saeta (van Hebreeuwse oorsprong) gezongen door iemand van het volk, waarbij de tranen rijkelijk vloeien. De processie van vrijdagnacht is in stilte, behalve een eentonige trommelaar is te horen... Speciaal voor dit feest is een tempel ontworpen, waarvan de voorhang elk jaar uiteen gescheurd wordt. Op zaterdagochtend gaat iedereen naar buiten met potten en pannen, ratels en hamers, om zoveel mogelijk lawaai te maken. Bioscopen gaan weer open en iedereen is blij en vrolijk.

 

In Castilië, een droge en dorre streek, is de uiting van de paasweek net zoals zijn bewoners, sober van karakter. Ook trots, waardig met een indrukwekkende stilte, een collectieve meditatie. Het beleven van het lijden is hier een intiem gebeuren. Elders wordt de dood van Judas gevierd: met stro gevulde poppen worden met de smerigste vodden aangekleed en opgehangen en verbrand. De Judassen vertegenwoordigen ook de oude koning van de vruchtbaarheid, die bij het begin van de lente  moet sterven, opdat zijn as kan dienen om de velden vruchtbaar te maken. De voorlopers van deze Judassen, waren zangers, die de inwoners gedurende het Carnaval en de vastentijd, op hun mankementen wezen met hun cantaclaros (zing het duidelijk). Zij fungeerden als verpersoonlijking van het kwaad. Deze zangers werden later vervangen door poppen met stro.

Typische volksmelodiën bezingen het passieverhaal.

Verder heeft elke streek zijn eigen wonderbaarlijke rituelen, wedstrijden en spelvormen. Veel is overgebleven uit voor-christelijke tijden, en ontstaan op kruispunten van verschillende culturen. Een noemenswaardig feest in de goede week speelt zich af in Aragon: de trommelaars van Calanda.

 

In stilte staat een menigte op het plein in Samper de Calanda te wachten. Te wachten op het teken van 24.00uur middernacht. Bijna Goede Vrijdag.

Vanaf een balkon scheurt een kort trompetgeschal en een oorverdovend geluid barst los. Geluid van duizenden trommels. Het dorp beeft op zijn grondvesten. Alles resoneert op de chaotische roffels van duizende stokjes en knotsen. Spreken kan niet. Heel Calanda trommelt met al zijn krachten het paasfeest in.

Kinderen leren van ouders en grootouders de verschillende ritmes te volgen. Dan begint de processie met de gekruisigde Jesus. Na een half uur begint er enige orde te komen in de ritmes. Trommelaars verzamelen zich in steeds grotere groepen die van elkaar het ritme overnemen, net zolang er één ritme ontstaat. Plechtig. Als in trance heffen de dragers van de grootste trommels hun armen om hun knotsten met een diepe dreun weer neer te laten komen. Na de drie uur durende processie wacht paëlla, tapas en wijn. Zo gebeurt het in nog negen andere dorpen. In Calanda begint het al ‘s middags met een dreun op een trommel van 3 meter doorsnee, die je slechts met tien man kunt tillen. Als de processie aankomt splitst het lange lint van trommelaars zich in groepjes van families met vrienden. Bij botsing van de groepen ontstaat een trommelgevecht, waarbij beide groepen in een ritmische zenuwoorlog tegen elkaar in trommelen. Uiteindelijk wint één van beide. De verliezer geeft zich over en neemt het ritme over van de winnende groep. Zodra de ene groep gaat drinken en eten, neemt een andere de strijd over. Het bloed stroomt dikwijls over de vellen. In het dorp zijn twee soorten mensen met Pasen: zij die niet willen en zij die niet kunnen slapen. Wie ziek is moet speciale ontheffing aanvragen zodat huis en straat ontzien wordt. Op zaterdag middag twee uur verzamelt een handje vol trommelaars, vooral ouderen, zich om het einde van het feest bij te wonen in een stille en intieme sfeer. 

Het massale getrommel wekt sterke tegenstrijdige emoties op: intieme gevvoelens, extase, huilen.

De cineast Buñuel, die uit Calanda komt, schrijft over een geheim ritme dat tot de mensen komt en een lichamelijke trilling veroorzaakt die buiten hen om gaat:

Op de omslag van zijn autobiografie, Mijn Laatste Snik (1983), zien we Luis Buñuel als een drummer, marcherend in het midden van een obscure band van trommelaars. Hun gezichten verraden de spanningen en geneugten van het alledaagse leven. Eenmaal per jaar komen meer dan duizend inwoners van het Spaanse Calanda in de provincie Aragon samen rond de dorpskerk. Ze wapenen zich met drums en trommels, vormen bands, en zetten vervolgens willekeurige ritmes in. Deze rituele jamsessie start op Goede Vrijdag omstreeks het middaguur en eindigt precies een dag later op Paaszaterdag. Vierentwintig uur lang, zonder pauzes of georchestreerde composities, zwerven trommelaars door de straten van Calanda.

Als de ene band een andere band ontmoet vindt een duel plaats dat voortduurt tot alle drummers een nieuw ritmisch patroon hebben gevonden. Na hun wederzijdse ontmoeting en uitwisseling trekken de bands verder en bereiden ze zich voor op de volgende slag. Voor Buñuel, geboren in Calanda, is het trommelen de symbolische uitdrukking van zijn levensfilosofie: leven is ritme - een verborgen reeks trillingen dat alles doordringt wat levend is.

Of zoals Karl Heinz Stockhausen ooit opmerkte: leg een willekeurige toon vast, vertraag het afspeeltempo van de opname, en je zult ritme vinden.

Het trommelen is een geschikt medium om deze alles doordringende kracht te ontsluieren. Ritme en trommelen, meent Buñuel, hebben niets te maken met de rede of de civilisatie.

Ritme is communicatie en communie tegelijkertijd, voorbij ieder verstandelijk begrip, een ondefinieerbare flux van emoties die een roes opwekt waarin het leven zich meedeelt en wordt meegedeeld. Vanuit deze optiek is ritme een bewustzijn, een verlangen te oscilleren met anderen en een verlangen te oscilleren met de natuurlijke, culturele of technotopische habitat. Buñuel vertelt dat de grootste sensatie van het festival in het moment ligt waarop hij de ogen sluit en zijn lichaam tegen de muren van een huis drukt om zich over te geven aan het ritme van Calanda.

Ritme is dus ook een staat van het lichaam: een extatische performance, een fysiek statement, een vleselijk verlangen om geluid en noise voort te brengen.

Na vele uren trommelen en drummen, vervolgt Buñuel, zijn de drumvellen doortrokken van het bloed dat neerdruppelt vanaf de gewonde handen van de trommelaars.

 

Als een praktijk is muziek altijd gesitueerd in geleefde ervaringen, in specifieke sociale relaties en locaties die op hun beurt weer het product zijn van complexe wisselwerkingen tussen cultuur, klasse en sexe. In Calanda wordt deze afhankelijkheid prachtig geïllustreerd door het opmerkelijke gegeven dat de lokale bevolking nog na vele weken blijft spreken - of beter: rappen - op een hortende manier, daarmee gehoorzamend aan het ritme dat het dorp even in haar greep had.

 

De trommelfeesten zijn veranderd; vroeger had niet iedereen een trommel, nu wel. De jongeren laten hierin geen tegencultuur zien, geen verwerping van de gevestigde normen. Het gezin is de kern, biedt veiligheid. Scheiding vindt eerder plaats tussen links en rechtspolitiek dan tussen generaties.

 

Vele, vele feesten en rituelen zijn te beschrijven. De tradities zijn belangrijk in een snel veranderende tijd; ze vormen een brug naar het verleden, men is daarin geaard en men kan zich ermee onderscheiden van andere regio’s.

 

 

 

GESCHIEDENIS

 

Vroege beschaving

We spreken van meer dan duizend jaar v. Chr. als de Feniciërs uit het land, wat nu Libanon heet, naar Spanje komen, om goederen te ruilen voor brons. Ze hadden verhalen gehoord over minerale rijkdommen bij Jerez, waar tin uit Cornwall en koper uit Spanje vermengd werden tot brons. De Fenicërs troffen een reeds wat ontwikkelde Iberische cultuur aan, gegroeid uit neolithische stammen uit Africa. In het noorden koloniseerden Kelten en Grieken het schiereiland.

Zo werd de beschaving in Spanje al vroeg beïnvloed door een andere cultuur, een verschijnsel dat steeds herhaald zou worden. Maar desondanks is de Spaanse cultuur nooit verloren gegaan. De Feniciërs hebben nooit geprobeerd zich daar te vestigen; ze kwamen er voor de handel. Sommige van hun handelsposten zijn nog steeds belangrijke plaatsen, want de Feniciërs hadden een uitstekend oog voor goede havens. Cadiz, West-Spanjes oudste stad begon zo haar reputatie; de naam Cadiz is Fenicisch voor fort. Malaga, Adra en Villaricos zijn zo ook ontstaan. Rond 1000 v.C. was de Iberische cultuur een samensmelting van Griekse, Keltische en Fenicische beschaving. Het waren de Feniciërs, die  het land I-Sjephan-in noemden. Later werd dit Espanja.

Toen Fenicië in handen viel van de Assyriërs, werden de Spaanse koloniën door de Fenicische stad Carthago overgenomen (de naam van de zuidelijke stad Cartagen herinnert daar nog aan) en toen deze stad aan het eind van de derde eeuw v. Chr. een aantal vernietigende veldslagen tegen Rome verloor, kwam Spanje in handen van de Romeinen.

 

Romeinse periode

Met de Romeinen kwamen de eerste hervormers in Spanje. De romanisering die hier plaatsvond, was wellicht de meest volledige in heel het Romeinse Rijk: alle burgers kregen het Romeins staatsburgerschap, iets waar de andere Romeinse provincies nog 140 jaar op zouden moeten wachten. Dit duidt op een grote urbanisatie. De oorspronkelijke talen werden vervangen door het Latijn, alleen bij de Basken lukte dit niet. Rond 98 werd een Spanjaard keizer onder de naam Trajanus. Later zou Spanje nog twee keizers leveren. Vele Romeinse monumenten zijn nog te vinden in Spanje: in Merida is de grootste concentratie best bewaarde monumenten, bruggen, amfi-theaters en aquaducten. De stad is door de Romeinen gesticht. De stad Toledo, ook door de Romeinen gesticht, werd onder de Moren hoofdstad van Spanje en bleef dat gedurende duizend jaar lang.

Ook het stierenvechten boogt op de Romeinse cultuur, de oorsprong zelfs van iets eerdere tijd: in 228 v. Chr. werd een Carthaags leger door een inheemse groep inwoners met een kudde woeste stieren onder de voet gelopen. Onder de Romeinen was er een spel ontwikkeld waarbij mannen op een behendige manier aanvallende stieren moesten ontwijken, voordat ze ze met een speer of pijl doodden. Andere verklaringen bestaan ook. Duidelijk is wel dat stieren in het middellandszeegebied een bijzondere status hadden en vereerd werden. De beroemde spaanse wijnproductie is ook van Romeinse oorsprong,  met name het telen van druiven op open heuvels, en het gebruik van vaten en flessen i.p.v. poreuze kruiken. Zo konden de wijnen zeer lang bewaard blijven. Ook toen het R.R. begon af te brokkelen bij gebrek aan ontwikkelde elite, bleef deze wijnproductie bestaan evenals andere uit die tijd stammende gebruiken. Het Rooms-Katholieke geloof werd in 394 officieel staatsgodsdienst in Spanje. Onder de Romeinen kwamen ook joden naar Spanje, maar mogelijk waren er ook al eerder joden in Spanje.

 

Visigotische periode

Na de val van het Romeinse Rijk werd Spanje bezet door de Visigoten, een Germaans volk, die rond 476 de baas waren in heel Spanje. Zij bekeerden zich tot het Katholicisme in 589. Spanje was ook voor joden een belangrijk land. Ze beschouwden het als hun tweede vaderland.  Door de christenen werden zij niet erg geaccepteerd, hun rechten werden beknot. Ze vormden een minderheid en werden door de Visigoten tot slaven gemaakt.

 

Moorse periode

Op verzoek van twee twistende Visigotische heersers kwamen de Moren naar Spanje.

Bij Gibraltar staken ze de zee-engte over. Iets ten zuiden van Jerez vond in 711 de veldslag plaats tussen Koning Roderick en de Moor Tariq uit N.Afrika. De christelijke Goten werden bij duizenden afgeslacht en het Moorse leger veroverde vervolgens heel Spanje, behalve de noordelijke bergen van Asturië. Het grootste deel van de bevolking boog voor de wil van de nieuwe heersers. De Moren gaven de naam Al Andalus (eiland van Vandalen) aan het zuiden, het latere Andalucia. De Moren waren veroveraars, krijgers en niet zozeer bezig met religie en cultuur. Dit veranderde toen in 756  de Moorse leider Abd al-Rahman zichzelf tot emir van een onafhankelijke staat Cordoba uitriep. In 785 werd begonnen met de bouw van de grootse moskee Mezquita in Coroba. De Islam werd de officiele godsdienst, maar joden en christenen mochten hun eigen geloof belijden. Christenen en aanhangers van de Islam beïnvloedden elkaar. Velen bekeerden zich tot de Islam, om vrij van belasting-betalen te blijven. Ze werden mozarabes genoemd. De joden waren blij met de komst van de Moren; ze zagen hen als bevrijders van de christelijke onderdrukking. In 929 werd het onafhankelijk Kalifaat Cordoba uitgeroepen. De moren waren nu op het toppunt van hun macht en Cordoba werd een waar cultureel centrum en de grootste stad van Europa. Samen met Damascus was het het adminstratieve en religieuze centrum van de Islamitische wereld. Op de heersers in het noorden, die gewoonlijk verbleven in sobere vestingen en legerkampen, moet het hof van de Kalief grote indruk hebben gemaakt. Er ontstond een hoogstaande Moors-Spaanse cultuur, waarbij kunst, literatuur en wetenschap opbloeide, waarin de joden een belangrijke rol speelden. Zij vertaalden vele wetenschappelijke geschriften van het Arabisch naar het Latijn, en vele eminente wetenschappers waren joods. Op deze manier leverden de joden een belangrijke bijdrage aan de totale Europese beschaving in de late middeleeuwen. Hun aantal was een half miljoen tijdens deze hoogbloei. In de dertiende eeuw leefden de joden betrekkelijk vreedzaam met de christenen. Betrekkelijk, want de verdraagzaamheid jegens de joden (joodse zangers zongen op christelijke bruiloften, ook aten ze samen) was nodig om de financiële situatie van de kerk te handhaven. Joden waren immers de belastinginners en de beheerders van de kerkelijke goederen. De christenen hoopten op bekering van de joden als dank voor hun verdraagzaamheid.

Sevilla, Granada en Cordoba groeiden uit tot wereldsteden en de landbouw bloeide op door een uitgekiend bewateringssysteem.

Langzaamaan kwam het moorse rijk in verval en kleine moorse ministaatjes zorgden voor aftakeling van het Kalifaat. Dit eindigde in 1031. Vanuit het Noorden begon de Reconquista, de herovering van Spanje op de moren.

Een zekere Palayo, een West-goot die zich in de bergen verborgen had gehouden, bracht een leger op de been en versloeg een moors legertje. Deze slag geldt nu als het begin van de Reconquista, de herovering van Spanje op de moren, en de vestiging van christelijke koninkrijken in het noorden.

De Reconquista speelt een belangrijke rol in het gedachtengoed van Spanje. Wat begon als een strijd om te overleven werd een streven naar een verenigd Spanje.

Het geheel speelde  zich af in het spanningsveld tussen religieuze en nationale idealen enerzijds en persoonlijke vrijheid, rijkdom en macht anderszijds. Bekend is het verhaal van El Cid die als christelijke  reconquistador zijn sporen verdiende, maar ook aan de zijde van de moorse heerser van Zaragoza vocht vanwege allerlei politieke intriges. Uiteindelijk heeft hij Valencia bevrijd en was hij de held van vele christelijke ridders. Ook vochten christenen met moren tegen christenen. Kortom, de reconquista is een ideale periode voor mythevorming. Bijvoorbeeld het bekende Chanson de Roeland; een mooi staaltje van geschiedsverdraaing. In het lied wordt bezongen hoe ridder Roeland in de strijd voor het katholieke geloof en ter verdediging van zijn oom Karel de Grote sneuvelde in een Moorse hinderlaag in de Pyreneëen. De werkelijkheid was anders. Karel de Grote trok in 777  met een leger de Pyreneeën over, om Arabische edelen te helpen in een grote opstand tegen de emir van Cordoba, Abd-al Rahman. In afwijking met de gemaakte afspraak gaf Zaragossa zich niet over, op het moment dat het Frankische leger arriveerde. Karel de Grote probeerde de stad met onderhandelingen en bestormingen te bezetten, maar gaf het na een paar weken op, en keerde onverrichterzake terug. Tijdens de terugtocht werd de achterhoede van het leger door Basken overvallen en tot de laatste man gedood, dus ook Roeland. Karel trok zich terug naar Frankrijk om zich bezig te houden met oorlog tegen de Saksen.

 

In de 12e eeuw zorgden de kruistochten voor het begin van economische bloei, gebaseerd op handel. In Spanje kwam de burgerij maar beperkt tot ontwikkeling; de economie werd beheerst door de joden en de moren.

 

Voor de joden keerde het tij, naarmate de christenen meer macht kregen. In 1066 vond er een grote slachting plaats in Granada en vanaf dat momant hadden de joden geen rust meer in Spanje. Velen trokken naar het noorden, waar ze als vijand van de vijand, dus als vriend ontvangen werden. De joden werden als zondebok gezien voor onder andere de pest-epidemie. Progroms breken uit en hele joodse gemeentes werden verwoest. Velen bekeerden zich uit lijfsbehoud: los conversos. In 1212 viel Andalusië in handen van de christenen; in 1236 viel Cordoba. De Moren compenseerden hun tanende macht met prachtige bouwwerken, zoals het Alhambra in Granada. In 1248 viel Sevilla.

 

In 1469 worden Castilië en Aragon samengevoegd door het huwelijk van Ferdinand van A. en Isabella van C. De stad Zaragoza, een verbastering van Ceasar Augusta, was lange tijd hoofdstad van Aragon; nu werd het hof verplaatst naar Castilië. Zij hadden als ideaal: één volk, één (katholiek) geloof en één land. In 1492 werd de laatste Moorse vestiging, het koninkrijk Granada veroverd op de Moor Boabdil. Naar verluid huilde deze toen hij de stad moest overgeven en zo kwam er een einde aan bijn acht eeuwen Moorse overheersing.

Ferdinand en Isabella regeerden met harde hand: hun kruistochten tegen de moren werd zwaar gefinancierd door de Kerk; in ruil hiervoor drong deze aan op een harde religieuze lijn: de Spaanse Inquisitie is alom berucht.

De moren waren nu arm en weinig invloedrijk, dus voor zij vormden geen gevaar. Zij dienden wel christen te worden. De joden werden wel gevreesd en zij moesten de hielen lichten of ze werden op de brandstapel gegooid tenzij ze zich bekeerden. Veel kennis en ervaring verdween op deze manier uit Spanje, waardoor het land in cultureel en wetenschappelijk opzicht een achterstand opliep. Wel moesten ze hun goud en zilver achterlaten.

 

Spanjes wereldmachtperikelen

Meteen na de Reconquista kwamen er gouden tijden voor Andalusië. Christobal Colon, Columbus, ontdekte Amerika en Andalusië diende als uitvalbasis van Spanje naar de nieuwe wereld. Goud en zilver uit de Nieuwe wereld zouden eeuwenlang de nationale schatkist binnenstromen. De koloniën werden katholiek, evenals heel Spanje en kregen een nieuwe taal. De rijkdommen kwamen meestal in Sevilla terecht, welke stad nu steenrijk werd. Door de vrede waren veel soldaten werkloos geworden en besloten zeevaarder of ontdekkingsreiziger te worden, dus aan manschappen geen gebrek. Het grootste deel van Midden en Zuid-Amerika werd ingelijfd bij het Spaanse rijk. Karel V heerste bovendien over Duitsland, Bourgondië, de Nederlanden, Oostenrijk, Hongarijen, Bohemen, Moravië, delen van Italie, en de Fillipijnen. In die tijd leed het land diep onder misoogsten en de pest. Geloofseenheid was een van zijn belangrijkste doelen. Na Karels dood in 1558 werd hij rijk verdeeld tussen Ferdinand, het Duitse keizerrijk en Fillips II, Spanje en zijn koloniën, delen van Italië en Frankrijk en de Nederlanden. Fillips had het druk: strijd in de Nederland, strijd tegen de Turkenmoslims, toenemende spanning met Engeland. Even was er een stabiele regering die de Turken kon neerslaan en vrede sloot met Frankrijk, Maar algauw raakte Spanje in verval door verwaarloosde landbouw, hyperinflatie, verlies van geschoolde vaklui en handelslieden (joden en moren). De Spaanse Armada werd bij Engeland verslagen en om te voorkomen dat Frankrijk protestant zou worden werd de oorlog weer begonnen.

Franse gebieden werden weer teruggegeven, de zuidelijke Nederlanden werden Frans, kortom, van de

Spaanse macht in Europa was weinig over. Waar elders in Europa de rennaissance in volle gang was, beleefde Spanje nog een na-wee van de middeleeuwen. De rijkdom van de adel berustte op middeleeuwse structuren. Het rationalisme en het humanisme was er ver te zoeken: spiritualiteit, godsvrees en tovenarij vierden hoogtij.

 

De Spaanse successie-oorlog, waar verschillende Europese landen bij betrokken waren, resulteerde in de Vrede van Utrecht, Gibraltar ging naar de Engelsen. Het huis van Bourbon kwam aan het hoofd van een gecentraliseerd Spanje. Zij vereenvoudigden het bestuursapparaat en bevorderde de economie.

 

In het begin van de 19e eeuw zette Napoleon, die een groot deel van Europa domineerde, de Bourbons af, wat resulteerde in een jarenlange strijd die Napoleon uiteindelijk verloor. Met Engelse hulp werden de Fransen verjaagd. De Spaanse koloniën in Amerika kwamen in verzet. Tussen 1815 en 1825 werden ze vrijwel allemaal onafhankelijk. In de tweede helft van de 19e eeuw verloor Spanje zijn laatste Amerikaanse en Aziatische koloniën (Cuba, Puerto Rico, en de Fillipijnen).

Spanje raakte nu in nationale crisis.

Er waren grote sociale problemen. Fabrieks- en landarbeiders roerden zich. Intellectuelen werden verbannen en industrieën met staatsmonopolie werden opgericht.

De pijlers van de wankelende Spaanse landbouw waren de grootgrondbezitters in het zuiden en de kleine bedrijfjes in het noorden.. Spanje raakte industrieel achterop.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog nam Spanje een neutrale positie in, die de steden nieuwe welvaart bezorgde. In Barcelona en Madrid verrezen talloze nieuwe gebouwen. Maar de binnenlandse onrust was groot, vooral de Catalanen lieten zich flink gelden, ze wilden zelfbestuur. In 1931 ontvluchtte Alfonso VIII het land en de Republikijnen namen het roer over. In de nieuwe grondwet kreeg Catalonië zelfbestuur, zeer tegen de zin van de rechtste partijen. Toen het linkse volksfront in 1936 de verkiezingen won, kwamen de rechtste nationalisten in opstand: het startsein voor de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939).

Het Volksfront werd gesteund door de Sovjet-Unie en de vele internationale brigades, terwijl de nationalisten werden gesteund door Mussolini en Hitler. Vele intellectuelen, beroemdheden uit de literatuur en de beeldende kunst  waren erg betrokken en probeerden publieke opinie in Europa te beinvloeden. De rechtse generaal Franco kwam echter als overwinnaar uit de strijd en stichtte een miltaire dictatuur, die tot 1975 zou duren.

Na Franco ging er een zucht van verlichting door Spanje. Koning Carlos stelde de democratie in, politieke partijen werden erkend evenals vakbonden. Uiteindelijk werd heel Spanje gedecentraliseerd. Het land werd verdeeld in 17 autonome regio’s. De jaren tachtig kenmerkten zich door vooruitgang op alle gebieden en bracht stabiliteit, trots en dynamiek naar een land dat daar al zo lang naar smachtte. In 1986 zorgde Spanjes toetreding tot de EG voor Europese subsidies voor de verbetering van de infrastructuur die hard nodig was voor het openen van het binnenland. Huidige problemen als de wijdvertakte corruptie, het hoogste werkloosheidspercentage van EU en het terrorisme van de ETA zijn evenwel nog niet onder de knie.

 

BEELDENDE KUNST, ARCHITECTUUR EN LITERATUUR

 

De eerste artistieke uitingen zijn te aanschouwen in de grotten van Cantabrië. Ze dateren uit de steentijd. Latere prehistorische kunstvoorwerpen zijn de koperen beeldjes uit Almeria. De oudste bouwwerken zijn de megalieten op de Balearen en de dolmens van Antequera.

Het toenemend aantal goud-,zilver-lood-en tinmijnen in het Andalusische rijk Tartessus en de daarmee samenhangende komst van de Fenicische en Griekse handelaren leidde het volgende artistieke stadium in. Sculpuren in kalksteen en brons en keramiek zijn in de musea nog te bewonderen evenals gouden sieraden gemaakt door de Keltiberiërs in Gallicië.

De Romeinen brachten stedelijke kunst: op belangrijke kruispunten van wegen maakten zij nederzettingen en steden. Forums, theaters, amphitheaters, tempels en aquaducten zijn hun nalatenschap. Verder mozaïekwanden, marmeren zuilengalerijen en beelden uit het elitaire leven.

Visigotische kunst is te zien in het zilver-en goudwerk aan koningskronen en offergaven. Het 7e -eeuwse christenklooster in Castilië is nog een overblijfsel van hun primitieve bouwkunst. In Asturië is preromaanse architectuur te zien.

Vanuit Frankrijk kwam de Romaanse stijl Spanje binnen: hoefijzerbogen, fresco’s en hoge gewelfde plafonds zijn te zien in fraaie kerken.

De moorse overheersing bracht forten, paleizen en moskeeën. Hoogtepunt hiervan vormt het Alhambra in Granada. Vroegere islamitische erfenissen zien we in Cordoba: geometrische motieven in baksteen, natuursteen en marmer. Ook ingewikkelde dooreengevlochten plantenmotieven. De islam verbood het afbeelden van mensen. Decoratie stond in hoog aanzien.

De christelijke cultuur werd beïnvloed door de mozarabische (onder Arabisch bewind levende christenen) cultuur. Moorse vaklui bleven voor de christelijke meesters werken. Zij ontwikkelde de mudejar-stijl, die van onschatbare waarde was voor de Spaanse kunst. Het was een kwistig decoratieve stijl met overvloedig bewerkt hout, stucwerk en tegels. In de architectuur bleef de mudejarstijl tot aan het begin van de 20e eeuw aanwezig in stierenvechtersarena’s en spoorwegstations.

In het noorden bouwden de christenen Romaanse bouwwerken naar Frans en Italiaans voorbeeld. Maar de andere stromingen hadden ook hun invloed. Het resultaat was een rijke, barokke, gecompliceerde bouwstijl. De cistercienzer monniken brachten later juist een sobere bouwstijl.

In de 13e eeuw kwam de gotiek in zwang. Ronde bogen werden vervangen door spitse, waardoor hoger kon worden gebouwd.

Beeldhouw-en schilderkunst werden zelfstandige kunstvormen. Invloeden kwamen uit Italië en Frankrijk, maar Spanje was het meest gevoelig voor het Vlaamse naturalisme met zijn expressieve precisie. Meesters waren Jaume Huguet, Gil de Siloé en Pere Juan.

In de Renaissance-tijd legde de Inquisitie op elk kunstvoorwerp zonder religieuze boodschap 10% belasting. Dus daarom is er veel religieuze kunst in Spanje gemaakt vergeleken met andere kunst. Italië had hier veel invloed. Fillips II trok veel Italiaanse, Vlaamse en andere buitenlandse schilders naar zich toe. Zo ook El Greco. De bouwkunst werd gedomineerd door Herrera, die een sobere stijl hanteerde, wiens stijl tot ver in  de 17e eeuw gebruikt werd. Daarna domineerde de exuberante barokarchitectuur, een emotioneel expressieve stijl. De grootste schilder van de ze Gouden Eeuw was Diego Velasquez uit de Sevillaanse school, een van de weinigen die mythologische taferelen uitbeeldde. Andere waren Léal en Murillo.

In de vroege 18e eeuw domineerde rococo: veel opsmuk en ornamentiek. De tegenstroom kwam spoedig met gematigdheid en rationalisme (Rodriguez en Villanueva). Francisco de Goya (1746-1828) was een schilder die zich daar weer tegen afzette en hij ontwikkelde een tegendraadse stijl van expressieve penseelvoering. Onderwerpen in die tijd waren taferelen uit de Spaanse geschiedenis en het dagelijkse leven.

De crisis aan het einde van de 19e eeuw was een goede voedingsbodem voor een hele generatie schrijvers zoals Azorin, Valle Inclan, Machado, Jiminez en Blasco Ibanez.

Tegen het einde van de 19e eeuw lieten vele gegoede Catalanen bij voorkeur gebouwen neerzetten in de Jugendstil-stijl. In Spanje heette het Modernismo. De architect Gaudi wordt beschouwd als een van de belangrijkste vertegenwoordigers. Zijn eerste werk laat duidelijk de invloed van de moorse mudéjar-stijl zien. Met de bouw van de nog onvoltooide Sagrada Familia werd in 1883 begonnnen. Natuurlijke en organische vormen vormen een wezelijk onderdeel van zijn werk. Het Catelaanse Modernismo was een stijl die sterk verbonden was met het catalaanse nationalisme.

Josep Cadafalch was een neo-gotische architect. Pablo Picasso kwam in 1895 naar Barcelona en bleef daar een aantal jaren totdat hij naar het buitenland vertrok in 1904.

In 1927 kwam een groep jonge dichters bij elkaar in Madrid en herdachten Gongora y Argote, de grote dichter uit de Barok. Uit deze symbolische daad kwam een van de belangrijkste Europese dichtersgroepen voort: de Generatie van 1927. De belangrijkste onder hen was Federico Garcia Lorca.

Dali, hij was het sprekende voorbeeld van de obsessie voor het irrationele van het surrealisme.

De schrijver en filmmaker Bunuel komt ook uit deze hoek. De vrienschap met Dali en Lorca is bekend en verfilmd.

Na WO II dominerde twintig jaar lang het Spaans expressionisme. Kunstenaarscollectief El Paso herbergden A.Saura en A.Tapies met subtiele kleuring en geometrische symbolen. Tegenhanger was de pop-art van Cronica en Arroyo. In Baskenland maken Chillida’s sculpturen de dienst uit. In het begin van de 21e eeuw is het Santiago Calatrava die gevierd wordt om zijn elegante constructiewerk, terwijl Rafael Moneo met zijn gevoelige, funktionele gestroomlijnde gebouwen -volmaakte symbolen van een herrezen Spanje- onbetwist de grootste is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HOOFDSTUK 2       MUZIEK VAN SPANJE

.

 

SPAANSE VOLKSMUZIEK IN HET ALGEMEEN

 

In Spanje kan de tijd snel veranderen. Als een dorp een romería houdt, een soort picknick-bedevaart naar een heiligdom, dan kan men nog steeds jonge mensen hand in hand zien dansen en  springen. Maar de kans is groot dat de muziek eigentijdse populaire muziek is, komend uit een apparaat. Alleen ouderen zullen zich de oude melodiën nog herinneren. Men komt tegenwoordig boeren tegen met popmuziek in hun karren. Gelukkig is er ook een tegenbeweging, niet in de laatste plaats vanuit de jongerengeneratie, die hun traditionele muziek waarderen en weer nieuw leven inblazen.

 

De volksmuziek bestaat hoofdzakelijk uit dansmuziek en daaruit voort komende liederen, en ballades, die romances worden genoemd.

Romances kunnen afkomstig zijn van de door barden gezongen cantilenen uit de 10e en 11e eeuw. Mogelijk stammen ze af van de Gallicisch-Portugese liederen uit de 13e eeuw. De grensromances zijn op het slagveld ontstaan. Men bezong de heldenfeiten uit de guerilla tussen moren en christenen.

Romances werden begeleid door snaarinstrumenten als de zanfona, vihuela en gitaar. Vooral mensen uit de lagere sociale klassen zoals armen bedelaars en blinden, hebben de romances meegevoerd. Van dorp tot dorp, van generatie op generatie. De grotere verspreiding werd verzorgd door de joden, ook buiten Spanje. De Spanjaarden namen ze ook mee naar de Nieuwe Wereld, Marokko en de Balkan. Veel zijn ook opgeschreven. De melodiën berusten op veel herhaling en kennen oude vormen, maar ook meer geëvolueerde komt men tegen. (De dichter Federico Garcia Lorca hield veel van de primitieve direktheid en het magische karakter van de romances. Van zijn hand is de verzameling zigeunerromances, Romancero Gitano.)

Omdat er zoveel culturen samengesmolten zijn in Spanje is moeilijk te achterhalen wat waar precies vandaan komt. De orientaalse invloed is overduidelijk. De flamenco heeft veel invloed van de zigeuners, muziek uit noord-Spanje is weer totaal anders door de overwegend keltische cultuur, maar men zingt daar toch duidelijk anders -meer oosters- dan andere keltische culturen. De arabische cultuur heeft onmiskenbaar haar stempel gedrukt op bijna alle muziek van Spanje. Kunstmuziek en dans uit het hoofse leven, uit Italië, België en Frankrijk met name, beinvloedt ook de volkscultuur,

en andersom!

Spanje kent vele gezichten: vooral vreugde en droevenis zijn duidelijk verklankt. De niet-zigeunermuziek van het zuiden is zonovergoten vrolijk, terwijl het noord-westen meer melancholiek is. Meer hierover is te lezen bij de afzonderlijke gebieden.

 

Idioom:   -instrumentatie: gitaar, castagnetten, handgeklap, voetenwerk (zapateo),                                     -tamboerijn, doedelzak en andere dubbelrieten             

                -aflopende cadenzen zijn onmiskenbaar Spaans, bijv. a, g, f, e  (phryg.)

                -orientaalse versieringen: toonomspelingen, zijn een algemeen voorkomen

                -voorkomen van kwarttonen            

                -frygische toonsoort is vaak voorkomend

                -levendig

                -nodigt uit tot beweging

                -ritmisch vaak sterk,

                -onverwachte accenten, onderverdeling in 3 of 4 snellere notenwaardes                                                       -melodië, die zang imiteert, lang aangehouden tonen                

                -melodiën in oktaven

                -hoge blazers, een oktaaf hoger spelend

 

Oosterse muziek is doorgaans gebaseerd op zang, oude toonladderpatronen en andere toonsafstanden, dan in het westen. Er is een bepaalde traagheid en evolueert langzaam. Toetsinstrumenten zijn er vreemd en de snaarinstrumenten zijn zonder fretten om glij-tonen mogelijk te maken.

 

Over de Spaanse gitaar

Spanje heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de Spaanse gitaar. We spreken over de klassiek ofwel Spaanse gitaar. De Spanjaard Torres was de man, die de uiteindelijke vorm van de moderne gitaar bepaald heeft. Hij leefde van 18  - tot 1893.

Deze gitaar, zoals we die nu kennen, is ontwikkeld uit verschillende snaarinstrumenten, die reeds lang geleden hun weg naar Europa hadden gevonden.

 

In de 14e eeuwse literatuur lezen we;

 

                                    There’s the guitarra moresca shouting and wailing

                                    with high-pitched voice and sound all whining,

                                    The fat-bodied lute its note a-tripping

                                    The guitarra latina the other two joining

 

De moorse gitaar was meer luitvormig, terwijl de latijnse gitaar meer gitaarvormig was. De vihuela, die veel in de adel gebruikt werd, had 6 dubbele snaren. De Italiaanse gitaar had vier dubbele snaren.

Waar elders in Europa de luit het belangrijkste instrument was aan het hof van de 15e eeuw, was de vihuela in Spanje hét instrument. De luit, ook door de Arabieren in Europa ingevoerd (al’ud) , was met zijn vele snaren een ingewikkeld instrument en werd op den duur vervangen door de gitaar, in de 16e eeuw.

De guitarra Spagnola had in de Baroktijd vijf dubbele snaren. Het was een populair instrument in de kroegen. In 1780 had het instrument zes dubbele snaren. De Guitarra Spagnola’s werden in Cádiz gebouwd. In Italië en Frankrijk werden de snaren het eerst ontdubbeld, pas later in Spanje. De snaarspanning werd verhoogd en de naam werd romantische gitaar. Componisten voor de gitaar waren Sor en Guiliani.

In 1884 zorgde Torres voor de moderne vormgeving. Verspreiding van gitaarmuziek werd verzorgd door de componist/gitarist Tarrega en ook Turina.

De gitaar was natuurlijk ook populair vanwege het handzame karakter en het feit dat het een relatief goedkoop instrument was.

In de 20e eeuw waren het Montoya (flamenco), Segovia, de Romeros, Julian Bream en John Williams die de gitaar in het daglicht zetten.

 

Castagnetten

Castagnetten zijn van mediterane oorsprong; de Grieken bespeelden ze al ter begeleiding van liederen ter ere van de godin Diana. Het castagnettenspel is een wetenschap op zich (crotalogie).

De klank wordt bepaald door de wijze van uitsnijden van het hout; in de rechterhand houdt men het vrouwtje, deze klinkt iets hoger dan het mannetje die je links vasthoudt. In de 19e eeuw kwamen de castagnetten bij de flamenco. Velen denken bij het horen van castagnetten meten aan  flamenco, maar ze horen eigenlijk thuis bij de algemene volksmuziek van Spanje.

 

 

Tekst

De liederen bestaan meestal uit kleine coupletjes, copla’s geheten, gedichtjes uit de Spaanse volkspoëzie, levensliedjes van eenvoud en direktheid. Meestal hebben ze vier regels van acht lettergrepen. Ze kunnen allerhande onderwerpen bezingen.

Een voorbeeld:            

                                    De trom is je portret,                                       

                                    hij brengt lawaai teweeg

                                    en wie goed op hem let

                                    vindt hem van binnen leeg

 

Sommigen zijn bekend over de hele wereld geworden, bijv. als een van de liederen van de Siete Canciones Populares, getoonzet door Manuel de Falla:

                                   

                                    Op het fijne doek in de winkel

                                    is een vlek gekomen

                                    nu wordt het voor minder verkocht

                                    omdat het zijn waarde heeft verloren

 

De saeta, die vaak tijdens processies vanaf het balkon gezongen wordt (Andalucië) is ook een copla. Het karakter is onmiskenbaar arabisch, door de vele versieringen rond een toon,

Hoewel de melodie hoofdzakelijk hetzelfde blijft, kan de saeta in verschillende stijlen gezongen worden (martinete, carcelera, debla, zie flamenco).

 

Met de kolonisatie van overzeese gebieden werd de spaanse muziek in de wereld verspreid en vermengd met de muziek van Indianen en Afrikanen. De viersnarige gitaar werd al in de 15e eeuw naar de Nieuwe wereld gebracht, om zich daar verder te ontwikkelen.

 

Hierna volgt een korte bespreking van een groot deel van de autonome regio’s: de karakteristieken, hun muziek en dans.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DE SPAANSE REGIO’S EN HUN MUZIEK

                                               

GALLICIË

Deze spaanse regio ligt in het uiterste NW van Spanje en haar keltische cultuur is ontstaan 800-600 v. C. De identiteit van de Gallegos is sterk geworteld in de geschiedenis. Oorlogen en armoede trokken een zware wissel op de plaatselijke bevolking.  De mannen vertrokken en de vrouwen bleven achter. Dit had ook zijn weerslag op de muziek: zie onder. Gallicië is in meerdere opzichten het buitenbeentje van Spanje:

-het werd nooit werkelijk door de Moren ingenomen

-de landbouw is er primitiever dan elders

-cultuur is overwegend keltisch

-bracht de meeste ervaren zeelui voort: een groot deel van de Galliciërs zwermde in de 15e eeuw uit over de rest van de wereld. Zuid-Amerikanen duiden Spanjaarden nog steeds aan met Gallego’s.

-men vindt hen maar een raar volk, dat zelf de rest van de wereld met wantrouwen volgt

- is de regenhoek van Spanje, zo tussen twee zeeën

 

De Gallicische taal is taal waarin de eerste lyrische gedichten van Spanje geschreven werden. De Castilianen gebruiken het Spaans voor hun heldendaden en het Gallicisch voor poëzie, spotliederen en verwensingen!

In Gallicië is de keltische invloed bijzonder groot geweest.

Er zijn veel mensen met blauwe ogen met een zacht en droefgeestig karakter.

 

Een zeer bekende stad in Gallicië is Santiago de Compostella, de bedevaartplaats.

 

In deze schitterende stad, ligt de apostel Jacobus begraven in de barokke kathedraal. Vanaf de middelleeuwen vonden er al bedevaarten plaats naar Santiago..De bloei van de pelgrimage naar Santiago trok de aandacht van de Arabieren die, aangevoerd door Almanzor, de oude basiliek compleet verwoestten en de klokken mee naar Córdoba namen. Desondanks bleven de pelgrims komen en in 1075 begon de bouw van de huidige kathedraal in Romaanse stijl die gereed kwam in 1211. Rondom de kathedraal werd de stad gebouwd, die zich dankzij de vestiging van de belangrijkste kloosterorden ontwikkelde tot één van de belangrijkste pelgrimsoorden van de Westerse wereld, naast Rome en Jeruzalem. In de tijd van de Reyes Católicos (katholieke koningen Ferdinand en Isabel), werd het Hospital Real gebouwd. Aan het begin van de 16e eeuw stichtte aatsbisschop Fonseca de Universiteit, wat de sluitsteen was voor de culturele infrastructuur van de stad. In de daarop volgende eeuwen zorgden de reformatie en diverse oorlogen voor een neergang van de pelgrimage. Het graf werd verborgen totdat het eind 19e eeuw opnieuw ontdekt werd. De ontdekking zorgde voor een wederopstanding van de pelgrimage, die samenviel met het benoemen van de stad tot Werelderfgoed door UNESCO en de Camino de Santiago tot Europese Culturele Route. Het aantal bezoekers is gigantisch gestegen. In 1999, het laatste Jubeljaar, bezochten maar liefst tien miljoen mensen de stad.

 

De muziek van Gallicië:

Omdat mannen veelvuldig afwezig waren is er een zelfstandig vrouwenidioom ontstaan. Veel volksmuziek vormen bestaan uitsluitend uit vrouwenzang. Van hun liederen zijn de alala’s het meest bekend: de melodische expressie is zeer gevarieerd, maar het refrein bevat altijd “ay lalala”. De sfeer is van een dromerige droefgeestigheid.

De keltische muziek vertoont veel overeenkomsten met Ierse en Bretonse muziek, de instrumenten, de versieringen in de muziek, de danstunes. De traditionele muziek leeft sterk in Gallicië. Zeer populair is de gaita, hun doedelzak. Bijna ieder dorp heeft zijn eigen gaiteros, doedelzakband, vergelijkbaar met onze fanfares. Jong en oud treft elkaar op het dorpsplein om te dansen en te spelen.

Van de 3000.000 inwoners spelen er 150.000 de doedelzak. Er zijn scholen die in volksmuziek gespecialiseerd zijn en uiteraard vele kroegen waar veel gejamd wordt. Overige veel bespeelde instrumenten zijn de pansfluit en de pandeiro, een vierkanten raam met snaren en bellen, bedekt met een geiten-of schapenvel. Nu zijn het tambourijnen. De pandeiro heeft zijn naam gegeven aan de pandeirada, een gezongen dans, waarbij de vraag solo gezongen wordt en het antwoord gezongen wordt door vrouwenkoor met pandeiro. Hun pandeiro-kunst is een lust voot het oor, zo ritmisch. Typisch zijn ook de gallicische conchas: twee schelpen die tegen elkaar aangewreven worden en zo het ritme aangeven, of twee stukjes ijzer.

Gallicische muziek is een mengsel van vreugde en melancholie, spaans met een keltische ziel; de poëzie is intiem.

Sinds de jaren ‘60 is er naast de traditionele beweging een sterke folkbeweging ontstaan, waar veel jongeren zich mee identificeren. De talrijke Folk-fesivals, georganiseerd met steun van de lokale overheid, trekken duizenden bezoekers. De Gallicisch-Keltische folkgroepen zijn in en buiten Spanje populair.

 

De muñeira (molendans) is de meest representatieve dans van Gallicië, een paardans die op geen enkel feest ontbreekt. De vrouw maakt afgemeten bewegingen, de armen stil. De man daarentegen spreidt al zijn charmes en beweeglijkheid ten toon. En stuk of zes paren vormen een kring.

In het middeleeuwse stadje Betanzos in la Coruna wordt elke zomer het rivierfeest gevierd: op versierde vissersboten vaart men naar Los Caneiros, waar men onder de bomen de muneiras gaat dansen.  Op de terugweg nuttigd men op de boten een diner met champagne onder begeleiding van doedelzakken en accordeons. Daarna vinden er zangwedstrijden plaats tussen de boten onderling. Roeibootjes met gitaristen varen achter hen aan.

 

 

ASTURIË

Regio van Spanje gelegen in het NW van Spanje, naast Gallicië, aan de Golf van Biskaje. De Troonopvolger hier krijgt automatisch de titel mee van Prins van Asturias, omdat dit gebied een van de laatste overblijfselen van het Christelijk Spanje is. Er zijn weinig grote steden, echter talrijke vissersplaatsjes aan de kliffenkust. Meer landinwaarts is het een uitgesproken berglandschap. Slechts één pas verbind Asturië met het binnenland meer zuidwaarts. De bewoners werken in de mijnbouw of in de agrarische sector. Het is de enige regio die niet door de Moren bezet werd. De bewoners zijn trots op hun streek omdat vanuit hier de eerste Reconquista-aktie plaatsvond, maar de streek verviel daarna in een lange winterslaap totdat eind 19e eeuw betere tijden aanbraken. Men noemde Asturië het armenhuis van Spanje. De bewoners worden als eenvoudig, gastvrij, sympatiek, gul, maar ook als ruw en gesloten getypeerd. Er zijn veel mensen met een zichtbaar keltische inslag: blonde haren en blauwe ogen.

 

Muziek van Asturië

Deze regio is een van de rijkste streken wat folkore betreft. Zeer veel liederen en dansen.

Hn muziek is sober en sterk geaccentueerd. Ook hier veel Keltische invloeden. Veel bespeeld wordt ook hier de doedelzak.

Talrijke liederen zijn lyrisch en hebben typische accenten. Bijvoorbeeld de Asturiandas; dit zijn werkliederen, met een zeer vrij ritme, melismatisch en van een intense expressie. De Vaqueiradas zijn liederen  waarin het ritme overheerst omdat hiermee de koeherders zich begeleidden. Het ritme werd gespeeld bij gebrek aan een pandero, met sleutels op braadpannen. Grote castagnetten waren ook in gebruik.

Rimsky Korsakoff heeft een van de religieuze liederen gebruikt als basis voor zijn Caprichio

Espagnol.

 

 

BASKENLAND

"In de loop der eeuwen hebben Kelten, Romeinen en Moren Spanje bezet. Heel Spanje? Nee, één regio bleef dapper weerstand bieden." Baskenland doet denken aan Asterix. Niet alleen omdat er een onverzettelijk volk woont dat eigen waarden met hand en tand verdedigt, maar ook omdat er nog jaarlijks kampioenschappen stenen tillen en houthakken worden gehouden. Moren en Kelten lieten ze links liggen. Bovendien wemelt het in de Baskische legendes van de druïden en tovenaars. En de oude, geheimzinnige taal van de Basken lijkt te bestaan uit louter x-en (en andere "stenen letters" als de 'k' en de 'z'). Hun taal is de oudst levende taal in Europa en is met geen andere verwant.

Niemand weet waar de Basken vandaan komen. Er zijn aanwijzingen dat ze rechtstreekse afstammelingen zijn van de Cro-Magnon-mensen en wie ziet hoe gepassioneerd ze tekeer gaan in allerlei oersporten, is geneigd dat te geloven. De Basken kennen gebaren die totaal afwijken van de gangbare. De Baskische gil wordt nergens anders ter wereld evenaard, en in de volksdans is hun sprong geheel anders dan anders. Feit is in ieder geval dat Baskenland, dat eindeloos groene landschap tussen oceaan en Pyreneeën, al vele duizenden jaren door Basken wordt bewoond. Volgens de officiële cijfers beslaat Baskenland ongeveer een kwart van Nederland en bestaat het uit een Frans en een Spaans gedeelte. De Basken zouden echter de Basken niet zijn als zij de werkelijkheid van de rest van de wereld zo maar zouden erkennen. Volgens hun berekening is Baskenland, waartoe zij ook de provincie Navarra rekenen, ruim twee keer zo groot en bestaat het niet uit een Frans en een Spaans gedeelte, maar uit Noord- en Zuid-Baskenland.

Noord- en Zuid-Baskenland lijken op elkaar, maar zijn vooral ook heel verschillend: het zuiden is woester en grilliger dan het noorden en minder toeristisch. Wie bij Hendaye de grens oversteekt, voelt bovendien onmiddelijk dat de sfeer totaal anders is. Hektischer, rommeliger. De mensen lopen er nauwelijks alleen over straat, maar bijna altijd in groepen. Er wordt harder gesproken. Het ruikt er naar zware tabak en de bars zijn er viezer en gezelliger.

De kustlijn is woester en rotsachtiger dan aan de Spaanse oost- en zuidkust en doet eigenlijk meer denken aan Ierland of Schotland. De zachte regen, die de Basken Txirimiri noemen (geen taal heeft zo'n lief woord voor regen), houdt de meeste toeristen op een afstand, waardoor je in de haventjes met hun kleurrijke bootjes vaak alleen bent met de oude mannetjes met hun Baskische baretten. Zij spelen mus (Baskisch kaartspel), zij eten pintxos (Baskische tapas) en spreken over een van de drie Baskische passies: politiek, voetbal en eten.

Columbus nam op zijn ontdekkingsreizen veel Basken mee, want niemand kende de wereldzeeën zo goed als zij. Er wordt zelfs gezegd dat zij al voor de ontdekkingen van Columbus in Canada geweest zouden zijn. In ieder geval waagden na Columbus vele Basken de overtocht naar Amerika, als ontdekkingsreiziger (Buenos Aires werd gesticht door een Bask) of als emigrant. Met name in Argentinië wonen veel Baskische emigranten. Eén van hen is Jorge Zorreguieta - de vader van prinses Máxima is voorzitter van de Baskische vereniging in Argentinië.

 

Veel Basken kwamen pas in de twintigste eeuw naar Argentinië, als vluchtelingen voor Franco. Franco verbood de Baskische taal en hij liet Hitler een van de meest historische stadjes, Gernika, bombarderen. Bijna heel Gernika lag in puin, maar de Middeleeuwse eik die voor de Basken altijd het symbool van de onafhankelijkheid was geweest, bleef overeind. De brute aanval op Guernica inspireerde Picasso tot misschien wel zijn meest indrukwekkende schilderij, dat tot frustratie van veel Basken te zien is in Franco's Madrid en niet in Baskenland.

Ook in het dagelijks leven is een bijna religieus fanatisme te zien. De meest extreme vorm is natuurlijk de terreur van ETA. Wie door Baskenland reist, voelt de aanwezigheid van ETA: de teksten en plakkaten op muren, de spandoeken aan de balkons van huizen, de demonstraties, de geheimzinnige gesprekken tussen ETA-sympathisanten. En bovendien gaat elk gesprek met een Bask, maar ook tussen Basken onderling, vroeg of laat over de onafhankelijkheid en over de middelen die daartoe geoorloofd zijn. Toch is ETA maar een klein deel van de complexe Baskische werkelijkheid en hoewel veel Basken zich kunnen vinden in het doel van ETA (onafhankelijk Baskenland), verfoeit bijna iedereen de middelen.

 

Muziek van de Basken

De Basken hebben een enorme rijkdom aan liederen, men treft hier wispelturige melodiën en talrijke ritme-combinaties, accentverleggingen.

De belangrijkste karaktertrek is de verandering in maat, veroorzaakt door het effect van de taal op de muziek: het syllabisme, waardoor een eenvoud van expressie ontstaat en het de tegenpool is van het melismatiek van de canto jondo. Basken zijn in sober in woorden en afkerig van breedsprakigheid., dus het syllabisme past uitstekend bij hun karakter. Voor de begeleiding werden fluiten en trommels gebruikt.

De dansen worden hoofdzakelijk door mannen uitgevoerd. Vrouwen doen soms mee als object dat toegedanst wordt. Soms verkleden vrouwen zich in mannenkleren om mee te kunnen doen. We zien veel voetenwerk en weinig handenwerk. De armen worden hoog boven het hoofd gehouden; men blijkt daardoor gescheiden van elkaar. Ook hier een contrast met de expressieve en dramatische flamenco-dans, waarbij elke vezel van het lichaam betrokken is. 

De Baskische dans is vooral uitdrukking van kracht en levenslust. Een typische dans is de Zortico in 5/4. De componisten Albeniz, Turina en Ravel (zijn moeder was een Bask), hebben de Zortico voor hun composities gebruikt.

De Baskische dansen worden begeleid door de txistu, een rechte fluit met een doordringend geluid, of de Alboka, bestaande uit twee hele korte, smalle suikerrietstengels met drie of vijf gaten. Deze stengels zijn vastgemaakt aan een houten frame in de vorm van een houten cirkel, uitlopend in koeiehoorns. De ene hoorn dient als mondstuk, de andere als geluidsversterker. Tegenwoordig wordt ook de Baskische trekzak als begeleiding gebruikt.

 

De muziek uit Navarra is sterk verwant met die van de Basken. In tegenstelling tot het individualistische karakter van veel andere Spaanse muziek, heeft men hier en echte koortraditie.

 

 

ARAGON

Aragon strekt zich uit van de Pyreneeën tot aan Castilië; het is een dorre en deels  een eenzame streek, heeft geen verbinding met de zee. De lange rivier de Ebro splijt de regio in tweeën. De hoogste toppen van de Pyreneeën zijn hier te vinden. De bewoners zijn nogal afkerig van invloeden van buitenaf. De dansen hebben een zeer uitgesproken karakter. De belangrijkste stad is Zaragoza, een verbastering van Caesar Augusta.

 

Muziek en dans uit Aragon

Dé dans van Aragon is de jota, geboren in Valencia, maar opgegroeid in Aragon. Men vindt jotas in alle streken van Spanje , maar die van Aragon is het meest vurig, zogezegd het meest Spaans. Er zijn drie jota’s:

- de jota zaragozana     zeer snel, veel sprongen, armen omhoog geheven, flitsend en onstuimig

                                    ritme met vingerknippen of castagnetten; de zang is zoetvloeiend en poëtisch

  de jota ronda              muziek en dans van tomeloze energie, alleen sprongen, begeleid door

                                    fluiten, triangels, castagnetten, tamboerijnen en een soort mandolines.

- de jota uit de dalen     bestaan uit langzame, elegante en voorname bewegingen

                                    de voeten blijven dicht bij de grond

- de bergjota                houdt het midden tussen deze twee voorafgaande jota’s

 

De teksten zijn geestig en kernachtig:     Wie de jota niet zingt

                                                                        is niet in Aragon geboren

                                                                        Hij is stom vanaf zijn geboorte

                                                                        of heeft geen hart

 

De jotazanger staan wijdbeens met zijn duimen in zijn broekriem.

De jota heeft talrijke Spaanse musici en verschillende componisten als Liszt, Glinka, Chabrier en Ravel geispireerd.

Verder zijn er nog veel aubades, contradansen, zwaard-, lint- en stokdansen.

 

 

VALENCIA

De streek van de sinaasappelen en de paëlla, én de geboorteplaats van de jota.

De hoofdstad Valencia is door de Grieken gesticht en in 1293 definitief door de christenen bevrijd van de Moren. Ze ligt aan de middellandse zee en de huertas, groene velden en boomgaarden met fruit en groente, leveren wel driemaal per jaar rijke oogsten. De basis voor deze rijkdom werd gelegd door de Moren, die het Romeinse irrigatiesysteem uitbreidden en citrus-, amandel- en vijgenbomen introduceerden. Verder is intensieve industrie goed ontwikkeld en is de toeristenindustrie van groot belang.

 

Muziek en dans van Valencia

De dans de jota, die hier ontstaan is in de 12e eeuw, wordt begeleid door gitaren, mandolines en vaak door Pyrenese instrumenten als de dulzaina, een plattelandshobo met een ruige, schelle, doordringende klank, en de tabalet, een houten trommel.

De liederenschat bevat een rijkdom aan boerenliederen, aubades, dwaze liederen, kinderliedjes en religieuze gezangen. De mooiste, de oogstliederen zijn onbegeleid. Ze hebben een zeer vrij ritme, waarschijnlijk door het harde werken in de brandende zon. Tussen de coupletten klinkt vaak een kreet, vanwege het aansporen van de dieren op het land. Een orientaalse invloed is duidelijk.

 

 

CATALONIË

Een regio met rijk begroeide kusten, hooggebergte en de Ebro-delta. Catalonië is ‘anders’. De bewoners zijn zelfbewuster en hebben meer chic en zakelijk inzicht dan de rest van Spanje. Deze regio in het noord-oosten  werd lange tijd door de centrale regering onderdrukt. Na 1492 verbood Castilië, waar de macht zat, het om handel te drijven met de overzeese gebiedsdelen, wat de economische neergang van de streek tot gevolg had. In de 19e eeuw kwam door de industrie de Catelaande economie weer tot bloei en de Renaixença, de afscheidingsbeweging kwam op, die een herleving van de Catelaanse cultuur voorstond. Franco heeft zich hevig verzet hiertegen. Het Catelaans wat een zelfstandige Romaanse taal is, mocht niet gesproken worden. Terwijl in die tijd de rest van Spanje in een politiek en cultureel isolement verkeerde, probeerden de Catalanen een brug naar Europa te slaan. Cultureel vooruitstrevend: Gaudi werd wereldberoemd, evenals Picasso, Miro, Dali en Tapies. Tegenwoordig is de hoofdstad Barcelona een kunst-stad bij uitstek.

 

Barcelona was vroeger een Romeinse nederzetting, Barcino genaamd, onder Keizer Augustus  gesticht op een heuvel tussen twee rivieren. Deze nederzetting werd volgens het gebruikelijke stratenplan aangelegd: een rechthoek met twee assen die elkaar kruisen op het forum: nog altijd het hart van Barcelona. Romeinse versterkingsmuren boden weerstand tegen de Franken. De strategische ligging - haar land-en rivierverbindingen met het binnenland, de zeehaven. evenals haar vestingmuren, waren reeds die van een grote stad.

Ten tijde van Karel V ontwikkelde de stad zich als een voorpost van het Karolingische rijk te zuiden van de Pyreneeën en werd het de hoofdstad van het graafschap Barcelona. In 988 werd dit graafschap onafhankelijk en verwierf het politieke leiderschap over alle Catelaanse graafschappen.

Door een grote bloei in de zeehandel, ontwikkelde Barcelona zich tot een van de belangrijkste handelsmachten in het Middellandse Zee-gebied. Deze nieuwe rijkdom vond zijn neerslag in een grote bouwaktiviteit. Getuige hier van de Gotische buurt met zijn nauwe straten, de kathedraal en het Palau Reial Major.

De straat l’Argenteria was de plek waar vroeger de zilver-en wapensmeden hun handwerk uitoefenden. De Santa Maria kerk is het toonbeeld van de beste catalaanse gothiek, gebouwd in de 14e eeuw.

De Rambla is het levendigste deel van de stad. Oorspronkelijk was deze straat de bedding van een rivier.

 

Catalonië is door bergketens lang geïsoleerd gebleven van de rest van Spanje. Catalanen denken hierdoor dat ze anders zijn dan de rest van de wereld en dientengevolge ook anders moeten worden behandeld. Nog altijd is rivaliteit tussen Catalanen en Castilianen. De moren hebben het land slechts 80 jaar in bezit gehad omdat ze door de Franken zijn verjaagd. De reconquista is dus een beetje langs hen heen gegaan.

 

Muziek en dans van Catalonië

In de periode dat de Catalanen deel uitmaakten van het Koninkrijk Aragon, hebben zij hun gebied weten uit te breiden tot over de Balearen, tot aan de poorten van Napels. Van deze streken hebben zij hun gevoel voor dicretie en proporties geërfd, dat men nog altijd in hun volksliederen aantreft. Het zijn lyrische spontane uitingen. De moorse beschaving heeft weinig sporen negelaten. Soms treft men een typisch naar het schijnt Arabisch interval aan, het kan echter ook van Byzantijnse oorsprong zijn . Zeker is dat de volksliederen beinvloed zijn door religieuze gezangen. De voorkeur gaat uit naar het verhalend genre. De werkliederen tonen  veel orientaalse toonschalen met veel chromatiek.

Veel liederen zijn ontstaan aan heiligenfeesten. In zeer gevarieerde stijlen bezingen zijn het leven en de wonderen van de heilige in kwestie.

 

De nationale dans van de Catalanen is de sardana. Haar voorloper was de ball rodó uit de middeleeuwen. In de 17e eeuw werd zij een aristocratische dans. Op het plein voor de kathedraal speelt zich ieder zondagmidag een heel bijzonder spectakel af: de verbroederingsdans van de Catelanen. Nauwelijks begint de cobla, de muziekgroep bestaande uit diverse blaasinstrumenten, trommel en contrabas, te spelen of wildvreemde mensen grijpen elkaar bij de hand, vormen een kring waarbinnen ze alles wat ze bij zich hebben neerleggen en beginnen te bewegen op de vreemd klinkende, bijna schrille tonen van de muziek.

 De cobla is een orkestje van elf instrumenten. Daar is de dulzaina, een herderschalmei die met de silbote, een grote fluit een grappige, net niet valse combinatie vormt en een pittig timbre geeft aan de doorgaans melancholieke melodieën van de sardana. Verder spelen mee een trombone, een koper vriendelijk blaasinstrument, twee soort hobo’s, twee soort klaroenen, een klein scherp fluitje, een contrabas en een hoge smalle trom. Het fluitje en de trom worden door éen persoon gespeeld.

 

De sardana heeft in de Catalaanse historie vaak als een soort verzetssymbool tegen inlijving in en door Spanje gediend. Voor veel Catalanen symboliseert de dans nog steeds de strijd voor autonomie en mede daardoor hoeft deze danstraditie niet kunstmatig in stand gehouden te worden. De sardana is volledig in de Catalaanse cultuur verweven. Er zijn zelfs sardana lessen voor jonge kinderen en sardana wedstrijden voor de grootste danskring. In een mum van tijd staat daar, voor de kathedraal, om klokslag 12.00 u ineens een kring van jong en oud door elkaar. De boodschap is “voel je vrij om met ons mee te doen en sluit aan”. Het is prettig wanneer je Spaans of Catalaans zou spreken, maar in dit geval beslist niet nodig. De dans is de communicatie en je gaat als vanzelf mee in de eenvoudige danspassen. Strikt genomen is de sardana eigenlijk geen volksdans, want zowel de muziek als de choreografie zijn gemaakt door bekende componisten en niet door het gewone volk. Zij is echter zo stevig geworteld in de tradities en gebaseerd op volkse elementen dat men haar kan beschouwen als de Catelaanse dans bij uitstek. De schrijver Maragall zegt dat de sardana iets is dat vanuit het landschap opborrelt. De sereniteit van het Catalaanse landschap komt volmaakt tot uitdrukking in deze mooie dans. Men probeerde middels de S

sardana’s, en de voor sardana’s geschreven muziek, uiting te geven aan de behoefte aan autonomie en verzet te tonen tegen inlijving. Een muzikaal voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld de militante openingszin van “la santa espina”, geschreven door Enric Morera en gebruikt voor de koorversies van de sardana’s: “WIJ ZIJN CATALANEN EN ZULLEN DAT ALTIJD BLIJVEN OF U WILT OF NIET”. Tijdens Franco was de sardana uiteraard verboden.

Vanuit een oorspronkelijk puur danskarakter krijgt de sardana meer en meer een politieke en culturele betekenis. Ook schrijven de Catalanen de sardana symboliek toe als “ ïn- en uitsluiting”, “tolerantie”, (openstaan voor een ieder, arm, rijk, jong en oud) harmonie, broederschap en democratie.

De hele dansschat, die wel 600 dansen bevat, wordt gekarakterideerd door een edelheid en verfijning, die men nauwelijks bij andere Europese dansen aantreft.

 

 

CASTILIË-LA MANCHA

Castilië is een grotendeels dor en kaal gebied, indrukwekkend door haar onherbergzaamheid.

Dit land weerspiegelt de voornaamste karaktertrekken van de Spanjaarden: hard, sterk, waardig en onstuimig. Het Castiliaanse volk heeft veel strijd moeten leveren tegen de droogte en onvruchtbaarheid. Hun gezichten zijn scherp en verweerd, hun stemmen hard.

 

De hoofdstad is Toledo, een onaangetaste middeleeuwese stad aan de rivier de Tagus, gebouwd op een granietrots. In de middeleeuwen was Toledo de hoofdstad van Spanje, de stad was economisch en cultureel van groot belang. Hier was toen de grootste jodengemeenschap van heel Spanje.

La Mancha, arabisch voor droog land, zou onbekend zijn gebleven als Cervantes zijn Don Quichotte niet had geschreven. De hoofdpersoon is een arme nakomeling van een ridderorde en houdt zich bezig met het lezen van ridderromans. Hij identificeert zich zo met zijn helden, dat hij gaat geloven zelf een ridder te zijn. In Sancho Panza, varkenshoeder, vindt hij een toegewijde metgezel. Hij ziet windmolens aan voor wild om zich heen slaande reuzen en bind hiermee de strijd aan, maar blijft uiteindelijk aan de wieken hangen. Zijn boek was bedoeld als parodie op de ridderroman-cultus van zijn tijd.

 

Muziek en dans van Castilië-La Mancha

De muziek is sober en zeer strak geaccentueerd. Naast het ernstige, het rituele, wordt de muziek bezield door een opvallende elegantie en waardigheid. Er zijn veel verschillende muziekgenres, die men ook elders aantreft. Een belangrijke dans is de seguidilla, oorspronkelijk in de 15e eeuw een lied. De dans is levendig en vrolijk; de maat is 3/4. Er is ook een overvloed aan werkliederen.

 

 

MADRID

Madrid en omgeving is een autonome regio.

Onder heerschappij van Fillips II werd Madrid hoofdstad van Spanje en de Arabische burcht werd omgebouwd tot koninklijke residentie. De bekende schilder El Greco uit Kreta werd door Fillips II hier als hofschilder aangesteld.

Thans is Madrid een wereldstad, waar de economie zich concentreert tot  een conglomeraat van industrieën, bestuurcentra en kantoorkolossen. Sinds de dood van Franco is de stad bezig Barcelona in te halen qua cultuur en kosmopolitisme.

 

In Madrid vindt men nog draaiorgeltjes met schrille tonen. Ze spelen veelal pasodobles, een dans die is Spanje nog zeer geliefd is in de balzaal en bij het stierenvechten. Tegenwoordig wordt veel flamenco ten toongespreid, thans dé stad waar alle nieuwste ontwikkelingen in de flamenco te horen zijn. De artiesten wonen evenwel voor een groot deel van het jaar in Andalusië, wat nog steeds de bakermat van de flamenco is, om ‘bij te tanken’.

 

 

DE CANARISCHE EILANDEN

De Canarische eilanden hebben een boeiende folklore, die als het ware een overgang vormt tussen Spanje en Spaans-Amerika. In de zang treft men Andalusische elementen en in het ritme meer Spaan-Amerikaanse. Lang geleden leefden hier de Ganches.

Op het eiland La Gomera bestaat er een zogenaamde fluittaal. De herders communiceerden met elkaar door middel van fluitende geluiden. Deze is bijna uitgestorven. Doordat de eilanden lang geen contact hadden met de buitenwereld heeft de muziek lang haar primitieve karakter behouden. Fluit en trommel spelen er een hoofdrol.

 

 

ANDALUSIË

In Andalusië vindt men alles wat men aanmerkt als typisch Spaans: de passie van de flamenco, het stierenvechten, de onafzienbare reeks feesten en de zekerheid van de brandende zon.

Het landschap van Andalusië kent vele contrasten: Almeria is de droogste streek van Europa , maar in het achterland van de Costa del Sol valt de meeste regen van Spanje. Bovendien subtropische plantengroei in de kuststreken naast besneeuwde bergtoppen van de Sierra Nevada en woestijn. In dit gebied liggen de beroemde steden die tot de verbeelding spreken: Cordoba, Sevilla, Granada.

Ook op sociaal-economisch gebied zijn er tegenstellingen: op het platteland maken grootgrondbezitters nog de dienst uit, terwijl de landarbeiders een schamele boterham verdienen bij de oogst van olijven en druiven. De werkloosheid is hier het grootst van heel Spanje, ondanks het toerisme.

De geschiedenis is sterk bepaald door de Moorse overheersing van bijna 800 jaar. Het Alhambra in Granada, de vele witte orientaalse dorpen en de Alcazaba-kasteel en nog vele andere gebouwen getuigen hier nog van.

 

Het stierenvechten

Het stierenvechten vindt zijn oorsprong in het zuiden van Spanje.

Iedere stad heeft zijn stierengevechten tijdens zijn jaarmarkt (feria). Vanoudsher wordt de stier in het middellandszeegebied vereerd als symbool van levenskracht en onbeteugelde grilligheid. Niet duidelijk is het of het stierenvechten een Romeinse erfenis is, of een overblijfsel van de stierencultus, of een spel wat ontwikkeld is na een een incident met stieren tijdens de Carthaagse veroveringen. Feit is dat het stierenvechten nog altijd razend populair is. De duende, de ontroerende betovering, die bij de Flamenco zo belangrijk is, speelt ook een rol bij het stierenvechten, zeggen de aficinado’s. De juiste beweging op de juiste tijd brengt duende. Echter, bij de flamenco werkt de duende als een katharsis, terwijl bij het stierenvechten de kick veroorzaakt wordt door de overwinning van mens op dier. De levenskracht van de stier wordt beetje bij beetje afgebroken tot de dood erop volgt. Mocht de afloop fataal zijn voor de matador, hij is in in beide gevallen de held.

 

Muziek en dans van Andalusië

De muziek en dans van Andalusië zijn al heel oud. De Tartesiërs introduceerden in hun inheemse liederen de ionische of phrygische stembuigingen. De muziek die daaruit ontstond, inspireerden de liturgische Byzantijnse gezangen, die tot in de 13e eeuw in de mozarabische kerk werden gezongen. Zeer oude indiase gezangen werden door de Syriërs overgebracht. In de 8e eeuw na C. leerde de dichter Ziryab de Andalusiërs de cante jondo ofwel diepe zang. Onder de Arabische overheersing was Andalusië hét Europese centrum van cultuur. Vanuit de moorse gezangen ontstond de fandango, de oervader van de cante andaluz, en verspreidde deze zich met de moorse cultuur door heel Spanje. Sommige fandango’s die geschikt waren om op te dansen werden begeleid door de gitaar. Vanuit de fandango ontstonden jotas en muñeiras.

De Moorse overheersing heeft zijn invloed gehad op de kunst, de wetenschap, de volksaard en de muziek. De associatie met arabische muziek ligt voor de hand: melodieën met eindeloze versieringen rond één toon, vanuit emotie gezongen; dansen met arm-,hand- en oogbewegingen, het handgeklap en voetgestamp doen ons aan India denken. Andalusië is een smeltkroes van culturen.

De Byzantijnse kerkmuziek was hier al vroeg aanwezig: zo kwamen hier een niet-Europees tonaal systeem en het voortdurend gebruik van niet-Europese melismen. Verder hebben Tartesiërs, Grieken, Romeinen, Germanen, Arabieren, Joden, Berbers en Christenen hun invloed uitgeoefend. Lang voor de Moren kwamen heerste hier al een orientaalse cultuur.

Tijdens het Romeinse rijk kon er geen belangrijk feest gevierd worden zonder danseressen uit Cadiz! Met de triomf van het christendom in Spanje werden er ter verfraaing van de liturgie in de kerk liederen en dansen uitgevoerd. Men trachtte dit aan banden te leggen want het Spaanse volk wilde dansen bij de minste aanleiding. Het dansen werd verplaatst naar het kerkplein. Tijdens de Moorse overheersing bleef men zingen en dansen in de mozarabische missen. Ook in de middeleeuwen danste men in de actos sacramentalos.

Krijgswapendansen waren een deel van de militaire opleidingen. Na 1150 werd de wapendans gebruikt in gedramatiseerde dansspelen, waarin de overwinning op de moren gemeld en gevierd werd. De morescadansen werden gedanst van Engeland (morrisdance) tot Italië en van Spanje tot Roemenië.

Aan het hof danste men de hoofse dansen, terwijl het volk zich vermaakte met dansen als de sarabande. De sarabande was een tamelijk snelle dans, gezongen in vierregelige gedichtjes (coplas) en begeleid op gitaar. Men danste in paren en begeleidde zich op castagnetten. De sarabande stond bekend als vulgair ( men schudde  het lichaam hierbij) en was verboden. Dit had ook te maken met de bijbehorende hekelteksten op de regering.

In de 16e eeuw ontwikkelde de seguidilla zich als een aparte lied -en dansvorm en verspreidde zich later naar het zuiden, van waaruit o.a. zich de sevillana zich ontwikkelde. Verder was de fandango een populaire dans. De fandango is de oervader van de cante Andaluz: de oude liederen van vóór de 18e eeuw, toen er nog een strikte scheiding was tussen zigeuners en payos. Deze hebben verwantschap met zowel noordspaanse muziek als moorse.Het ritme van de cante andaluz is niet dansbaar, hoewel er uitzonderingen zijn. De teksten zijn literair en indirekt, gemaakt om esthetisch effect en een ontroerende finale, waarbij de zanger recht staat en de armen ten hemel strekt.

In de 18e eeuw ontstond de bolero.

Na de reconquista en de Spaanse inquisitie kwamen de zigeuners vanuit India gevlucht langs kleine christelijke enclaves via Egypte tot in Marokko en Spanje. Zij vonden in de joden en moren lotgenoten. Zij hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan het ontstaan van de flamenco.

 Hoofdstuk 3     FLAMENCO

 

GESCHIEDENIS VAN DE FLAMENCO

 

Zigeuners kwamen eind 15e eeuw in Barcelona aan, vanwaar zij zuidelijker trokken. Mogelijk is ook dat ze via Gibraltar aankwamen. Vanuit India waren ze op de vlucht gegaan en trokken via christenenclaven naar het westen, alwaar ze aanvankelijk welkom waren.

Eind 15e eeuw besloten de christenen Spanje te bevrijden van alle ongewenste elementen: joden, moren en zigeuners wanneer zij geen nuttig beroep uitoefenden. Veel joden en moren bleven echter in Spanje en lieten zich omdopen en in het geheim behielden ze hun riten en gebruiken. (De saetas, een vorm van de cante jondo, houdt muzikaal duidelijk verband met de joodse synagoge-gezangen).

De bekeerde moslims, morisco’s en sefardische joden werden verdreven uit de steden.

De arabische/andalusische muziektraditie bleef in hoofdzaak op het platteland bestaan.

De drie verstoten bevolkingsgroepen zochten steun bij elkaar en vluchtten naar onbewoonde berggebieden en grotten. Ook dissidente christenen sloten zich aan.

De moren en joden leerden van de zigeuners hoe te overleven in de marge en de zigeuners leerden van de anderen de liederen, dansen en romances. Dit waren met name de ritmische jota’s van Cadiz, de werkliederen van de morisco’s rond Sevilla, de zambra’s van de laatste Arabieren uit Granada, en de troubadoursliederen van de christelijke romanceros uit Castilië. De zigeuners verrijkten hun cante gitano met deze elementen. Samen met hun passionele aard, een sterk ritmische inslag en hindoedans-erfenis zorgde dit voor het ontstaan van een nieuw fenomeen; de flamenco. De herkomst van deze naam is onduidelijk. Een mogelijkheid is dat het ontstaan is uit felag mengu, gevluchtte boer. Maar ja zigeuners zijn nooit boeren, toch? Een andere mogelijkheid is dat de zigeuners flamencos werden genoemd naar de losbandige Vlamingen, die ten tijde van Karel V in Spanje kwamen vechten. Het blijft onzeker, maar de naam is voor eeuwig verzekerd.

 

Zonder Andalusisch moedermateriaal hadden de zigeuners geen basis gehad en zonder de zigeuners was het allemaal niet bij elkaar gekomen.

 

Met de ontdekking van de Nieuwe Wereld gebeurde het volgende: De Spanjaarden en Portugezen waren de eerste slavenhandelaren. Met de exploitatie van Afrika kwamen de ritmes van Afrika ook mee. De Spaanse conquistadores namen vanuit de gebieden in America muzikale elementen mee die de Andalusische muziek beinvloedden. Deze invloed ging door tot eind 19e eeuw. Ook doordat vanuit de zuidkust de vaart gestart werd, kwamen zeelui uit het noorden en midden van Spanje naar het zuiden en brachten ook weer dansen mee. In de 16e eeuw waren de chaconne, zarabanda en de fandango populair onder de bevolking. Ze ontwikkelden zich tot ware feestmuziek en waren uiting van vreugde en gemeenschapszin. Orkestjes begeleidden de dansen. Ze bestonden uit snaarinstrumenten, trommels, castagnetten (vanuit de Egyptische cultuur) en tamboerijnen (die over heel Spanje verspreid waren). De zigeunermuziek werd in eigen kringen gespeeld en bestond daar hoofdzakelijk uit zang, begeleid door trommelende knokkels op tafels of het knippen met de vingers of het klappen van de handen. Hun muziek was vaak uiting van trots, pijn en verlangen.

Rond 1700 hadden zowel de Andalusische muziek als de zigeunermuziek vastere vormen aangenomen.

Aanvankelijk werd de muziek van de zigeuners beschouwd als inferieur en verachtelijk. Maar langzaamaan veranderde dit.

Alhoewel zigeunermuziek nog steeds hoofdzakelijk een privéaangelegenheid was, een ritueel binnen zigeunerfamilies, waren de zigeuners een populair thema geworden voor theaterprodukties. Het oudste geschreven voorbeeld van flamenco is een seguiriyas in de 18e eeuwse Italiaanse opera “La Maschera Fortunata” van Neri. 

De zigeuners begonnen voor geld op te treden in de taveernes. Deze lagen buiten de steden en de vrouwen deden daar gewaagde dansen. Gitaristen, die klaar waren met hun werk in de burgerfeestzalen, kwamen naar deze plekken om uit te rusten en van dingen te genieten die verboden waren. Op een gegeven moment zijn ze mee gaan spelen en zo kwam de gitaar erbij. 

In 1842 opende het eerste cafe de cante in Sevilla. Er kwamen er meer maar die werden weer gesloten. Echter toen de beroemde grote zanger Silcerio Franconetti in 1860 uit Zuid-Amerika terug kwam en een café cantante opende in Sevilla ontstond er een rage voor dit soort gelegenheden tot in Madrid en Barcelona toe.

Toen, tijdens de eerste grote Feria van Sevilla kwamen de coplas tevoorschijn uit de duisternis van de zigeunerwijken. De cante gitano, wier teksten direkt zijn en niet gezongen werden ter vermaak, en de cante Andaluz kwamen hier bij elkaar.  Een gouden tijd voor de Flamenco breekt aan. De eerste beroepsmuzikanten kwamen tegemoet aan de behoefte van de burgerij om het verleden te romantiseren. De zigeuners vormden cuadros flamencos, een danser(es), een zanger en een gitarist. De klassieke modellen van de cante jondo ontstonden in deze bohémienachtige sfeer. De regionale grenzen vielen weg doordat specifieke liederen en dansen uit een bepaalde streek daar naar toe kwamen en gedeeld werden met iedereen. De dans concentreerde zich vooralsnog op de armen en bovenlichaam, het voetenwerk  was nog niet zo spectaculair.

De café cantante bood zigeuners de gelegenheid professioneel te worden en zangers ontwikkelden hun eigen stijl. In deze periode ontwikkelde ook de gitaarkunst in de flamenco. Hij moest wedijveren met de zang en de dans en lastte voor zichzelf solo’s in. Ook het gebruik van de capo raakte in zwang, want op een guitaar kan je niet ongestraft transponeren zonder capo. De klanken hebben regelrecht te maken met de positie op de snaren. Klassiek geschoolde gitaristen brachten nieuwe technieken mee. Spanjaarden die uit het Caraïbisch gebied terugkwamen namen negerinvloeden mee, met name de ritmes.

De opbloei betekende tegelijkertijd ook verval, want de oorspronkelijke flamenco-kunst verliest zijn essentie wanneer men zich gaat aanpassen aan de smaak van het publiek. De zuiverheid ging verloren.

Rond 1900 verdwenen de café cantantes. De flamenco raakte in verval. 

Wel werd de flamenco gebruikt in het theater. Manuel de Falla gebruikte voor zijn meesterwerk  El amor brujo flamencoritmes; het stuk is een flamencoballet bij uitstek. Diaghilev gaf over de hele wereld bekendheid aan deze jonge krachtige muziek van de Falla. Manuel de Falla was zeer bezorgd over  over de echte kwaliteit van de cante jondo en schreef wedstrijden uit. Het werd een fiasco; de echte kunst speelde zich toch af in de achterkamertjes van de café’s en niet voor het grote publiek.

De schrijver Garcia Lorca was een groot voorstander van de Andalusische  cultuur en van de flamenco in het bijzonder. Hij had oog voor het leed van de armen en de ondergeschikte positie van de vrouw. In de flamenco, en vooral de harde kern daarvan, de "cante jondo" (diepe zang), zag Lorca een bijzonder kostbare cultuurschat van het gekwelde Andalusische volk met wortels in oeroude culturen. Zijn teksten worden veel gebruikt in de flamencozang. Ook verzamelde hij volksliederen en teksten, die hij op muziek zette. In 1936 werd hij vermoord door de Nationalisten.

Tijdens het bewind van Franco werd de Flamenco met een schuin oog bekeken. Vanaf 1940 steunde hij de volksmuziek voor zover ze de stem was van een geordende en bestuurbare gemeenschap. De flamenco overleefde in shows en operettes, de zarzuela’s. De Opera Flamenco kon een groot publiek tevreden houden.

Daarnaast ontwikkelde zich de meer pure flamenco ook door, maar minder opvallend. De dansvorm werd verfijnd, de eerste dansscholen werden opgericht en het voetenwerk kreeg zijn plaats in de flamenco. Ook kregen de palos steeds meer hun definitieve vorm. Een belangrijke ontwikkeling in die tijd was de emancipatie van de flamencogitaarmuziek, met name door de zigeuner-gitaristen

Ramon Montoya , Niño Ricardo en Manolo de Huelva.

 

Pas na de tweede wereldoorlog was er weer een echte opleving van de (traditionele en minder traditionele) flamenco. Er werden "tablaos" opgericht waar toeristen flamenco konden bewonderen en platen en boeken werden uitgebracht, maar ook voor de liefhebbers van de meer pure flamenco werden peñas of flamencoclubs opgericht. Ook werd er in Jerez het eerste studiecentrum opgericht dat de flamenco ging bestuderen. Nu zijn er nog steeds traditionele vertolkers, meestal zigeuners. Daarnaast vernieuwt de flamencokunst zich voordurend. Nieuwe instrumenten worden toegevoegd zoals strijkinstrumenten en dwarsfluit, indiase percussieinstrumenten, drums. Nieuwe combinaties zijn flamenco-jazz, flamenco-rock, arabisch flamenco, latin flamenco.

 

FLAMENCO NADER BEKEKEN

 

Waar het om gaat in de Flamenco:

De cante jondo kan nooit een opwekking tot zuiver amusement zijn of nooit worden onderworpen aan een theaterprogramma, zonder aan eigenheid in te boeten. De flamenco wil tegengestelde emoties met elkaar verbinden: geluk met droevenis oftewel droef geluk of blije droevenis. Goede flamenco doet de ziel verscheuren en brengt de delen weer samen in een schitterend ogenblik van bevrijding: de duende. Dit kan gebeuren door het ultieme samenspel van zang, de bodem van de flamenco en zijn muzikale en visuele bekroning, de gitaar en de dans. Flamenco heeft niet de intentie  mooi te zijn. Het doel is beheksing. De kracht daartoe komt van hogerhand. Het verschijnen van de duende is voelbaar, kondigt zich aan, groeit en spat uit elkaar. De flamenco vindt zijn hoogste voltooing, wanneer het publiek de boodschap van de artiesten perfect ontvangt en terugkaatst in de vorm van het jaleo, de kreten waarmee ze hun betrokkenheid bevestigen. De bekendste is olé, waarschijnlijk een verbastering van Allah, zo wil God het. Andere kreten zijn:

ezoè: zo moet het

toma: pak aan,

quiro: zo wil ik het

vamos alla: vooruit.

In het algemen begint de gitarist met enige arpeggio’s, de danser maakt bijna onzichtbare bewegingen waarop de gitarist falsetas (versieringen) begint te spelen, die aan het ritme van de dans voorafgaan. De zanger begint vaak met een quejio, een verlengde ay...

Zanger en danser wisselen elkaar af in een muzikaal spel vol uitdagingen passie.

 

Een overgang in het spel, bijvoorbeeld een silencio of een stukvoetenwerk wordt aangekondigd met een llamada. Dit kan zijn een teken, een roep, of een beweging. De danser doet bijv. zijn armen omhoog of de danseres pakt haar rok nadrukkelijk. Een artiest vestigd met een llamada de aandacht op zich, zodat iedereen kan zien of horen wat ie gaat doen. De vorm van de llamada is voor de musici herkenbaar; hij markeert het compás stevig.

 

De stem is de spil van de flamenco. Men onderscheid de volgende stemtypen:

- voz afilla                                 de hese en schurende stem

- voz falsete                              de heldere en briljante stem

- voz natural/gitana                    deze ligt dicht bij afilla door het schurende geluid

 

De ruggegraat van de muziek is het compas: het specifieke ritme of maat van een stijl of dansvorm.

 

Tekst

De teksten bestaan uit één of meerdere copla’s die de zanger vrij kiest uit zijn geheugen. Ze zijn literair en direkt. De liederen gaan vaak over de meest intieme menselijke aangelegenheden, zoals leven en dood, haat, wrok, weemoed, God, moeder, hoop en wanhoop. Soms hoort men niet een lied, maar een hartekreet, omdat woorden tekort zouden schieten. Voorbeeld van tekst:

 

Mijn arme Andalusië

dat begrijpt niemand.

Het is een land, verborgen

in een heel groot hart

dat weent van vreugde

 

De copla’s uit Sierra, de serrana vertellen over de bandoleros. In het arme oosten van Andalusië bloeide tot de jaren ‘50 de smokkel in tabak en alkohol. Smokkelaars en bandoleros konden rekenen op steun van de lokale bevolking. Dit stamt nog uit de tijd van de guerilla-oorlog tegen de Fransen in de 18e eeuw. Guerillos werden bandoleros.

 

 

Begeleiding:

- voetenwerk ofwel zapateo, geeft op ritmische wijze de melodie weer met de zolen,  hakken, of   vingers

- castagnetten zijn van mediterane oorsprong;  de Grieken bespeelden ze al ter  begeleiding van   liederen ter ere van de godin Diana. Het castagnettenspel is een  wetenschap op zich (crotalogie).     De klank wordt bepaald door de wijze van  uitsnijden van het hout; in de rechterhand houdt men   het vrouwtje, deze klinkt  iets hoger dan het mannetje die je links vasthoudt. In de 19e eeuw   kwamen de  castagnetten bij de cante jondo.

- cajon, de trommelkist met inwendige snaar, werd door Paco de Lucia uit Peru naar Spanje gebracht.   Hij geeft een sonoor soort slagklank, die zich bescheiden  mengt in het geheel.

- handgeklap, las palmas, van oorsprong Egyptisch, berust vaak op improvisatie.

  bij bijv. een bulerias is er een vast klapritme, waar anderen weer tegenin klappen.

 -gitaar, is geëvolueerd van zangbegeleiding tot een kunst op zich. Gitaristen als Paco Pena en Paco     de Lucia en Tomatito hebben wereldroem verworven, veel meer dan de zangers, wier rauwe   stemmen minder gemakkelijk in het gehoor liggen. De beste zangers zijn de zigeuners, maar de beste   instrumentalisten blijken de niet-zigeuners te zijn ofwel de payos.

 

Melodie:

De melodie maakt geen grote sprongen; ze heeft vele versieringen rond één toon en neergaande lijnen zijn vaak voorkomend.

 

Harmonie:

In de onbegeleide cante jondo speelt harmonie geen rol. Als de gitaar op het toneel verschijnt, komt de harmonie in het spel. Op zich is de harmonie niet ingewikkeld, maar de zogenaamde dissonanten, afhankelijk van het type voorkomend, maken de harmonie zeer rijk, geheimzinnig, mysterieus of wrang. Ook komt het harmonisch ritme niet altijd overeen met het gewone ritme.

 

Ritme:

Er zijn liederen die zeer vrij in het ritme zijn, vooral ten noorden van de rivier de Quadalquivir Andere zijn in een strikter ritme, waarbij de accenten vast liggen. Veel liederen zijn in 3\4 maat, vooral de fandangos. De tangos is in 2/4. Tegenritme in de palmas is zeer vaak aanwezig.

 

Toonsoorten:

De phrygische toonsoort is alom aanwezig; hij wordt vaak vermengd met zigeunerladders. Gewoon majeur komt ook voor. Nogal wat flamencovormen hebben een vaste toonsoort, die ook weer relatief is omdat er heel veel met capo’s wordt gewerkt. Dus de grepen zijn vast.

 

De flamencogitaar

De Flamencogitaar heeft een eigen geluid ontwikkeld. Hij klinkt droger, heeft minder bas en felle, hogere tonen. De gitaar is uiterst licht gebouwd, heeft een simpelere constructie en het bovenblad is heel dun. Houten stempennen zorgen voor een balans in het gewicht. Een ander deel van het verhaal is dat de zigeuners natuurlijk niet erg rijk waren en de goedkopere plaatselijke houtsoorten, ceder en cypres, voor handen waren. Tegelijkertijd zorgen deze houtsoorten ook voor een klank, die beter bij de flamenco paste dan de warmere en rondere klank van de klassieke gitaar. Een percussiever geluid en de lage actie (afstand van de snaren tot de toets) ondersteunen  de ritmische functie; het heldere brillancegeluid geeft ruimte aan de snelle akkoordopeenvolgingen en matcht goed met het rauwe stemgeluid van de cantaor. De huidige ontwikkeling tendeert naar een tussenvorm van de klassieke en de vroegere flamencogitaar, omdat men toch ook een mooi, warm geluid wil.

 

Oosterse elementen

De zigeuners behielden elementen van oosterse muziek die mogelijk verloren zouden zijn gegaan in Christelijk Spanje. We vinden ze terug in de flamenco.

 

-  Het gebruik van kwart-tonen.

-  Glijdende overgangen van één toon naar een ander.

-  De neiging een toon aan te houden.

-  Melodieën spelen zich af in een klein toonbereik.

-  Het gebruik van kwart- en halve tonen voor ornamentatie.

-  Het gebruik van een aflopende cadans.

-  Phrygische toonladder

-  De muziek is eerder melodisch dan harmonisch.

-  Gebruik van complexe ritmes en tegenritmes.

-  Voorkeur voor een nasale, harde toon voor stem en instrument.

-  Nadruk op de emotionele kwaliteit van de muziek.

-  Verbale aanmoediging van artiesten.

-  Vloeiende, sensuele bewegingen van handen, armen en torso in de dans, met weinig nadruk op                voetenwerk.

   (Volgens de moslim traditie mochten vrouwen hun benen niet laten zien, dus van voetenwerk was    voor hen geen sprake. Voetenwerk werd pas in het begin van deze eeuw een belangrijk onderdeel                 van vrouwelijke Spaanse dans.)

 

Andalusiërs en zigeuners

In sommige opzichten is de zigeuner een Andalusiër in het kwadraat. Zigeuners zijn individualisten, hij laat zich niet in een keurslijf dwingen. Hun achtergrond van levensvreugde is droef, hun fatalisme onuitroeibaar. De Andalusiër is vrolijk, extravert, wil het leven vieren in al zijn facetten, is romantisch ingesteld en heeft ook een minachting voor de dictatuur. Al met al geen slechte combinatie in een zonovergoten klimaat, hetgeen voor de zigeuners zowel herkenbaar als passend bij hun levensstijl was/is.

 

Zigeunermuziek in het algemeen.

De nomadisch levende zigeuners kennen een eigen volksmuziek. Deze muziek wordt louter gezongen en dient, zoals elke echte volksmuziek voor eigen gebruik. Hij bestaat uit langzame, vaak klagende liederen en snelle liederen die worden begeleid met tongklakken, scanderen van enkele lettergrepen, slaan met lepels en andere eenvoudige begeleidingstechnieken, maar wordt nooit instrumentaal begeleid. Het contact met plaatselijke volksmuziek bij hun omzwervingen leidde tot kruisbestuivingen. Het gebruik van diverse muziekinstrumenten is zo ook tot stand gekomen. Zigeuners zijn over het algemeen geen instrumentbouwers, wel verhandelaars.

 

Muziek wordt pas zigeunermuziek door de wijze waarop de melodie wordt voorgedragen en vollédig

door een karakteristieke begeleidingswijze.

 

Melodie:

Zigeunermuziek onderscheid zich door zijn rijke en soms oriëntaalse versiering. ze gaan daarbij erg vrij met de oorspronkelijke thema’s om. De zigeuner neemt  een aanloop, blijft staan waar hem dat invalt, trekt de melodieën uitelkaar en vervormt ze naar eigen goeddunken. Het kan zelfs gebeuren dat door alle versieringen de oorspronkelijke melodie verloren gaat. Alles staat in dienst van een gevoelvolle weergave, waarbij de melodie ondergeschikt is.

Dat begint al met het spelen van één toon. Hij zal nooit zomaar een a spelen. Hij gaat naar die a met een omspeling.  Of hij speelt een glissando, of hij zet met een loopje in. Op zijn minst zet hij een kwarttoon te laag in om hem vervolgens bij te trekken. Zomaar een toon spelen is er zelden bij. De melodie wordt rubato gespeeld en veroorlooft zich veel vrijheden. De zigeuner zal in één stuk nooit iets twee keer hetzelfde spelen, er wordt constant gevarieerd. Vaak wordt er midden in een stuk van oktaaf gewisseld, een effectief middel om aandacht te vragen. Naar believen worden er rustpunten in gelast. De zigeuner hanteert zijn instrument meestal niet op de klassieke wijze. Stokvoering bij viool en de manier van vasthouden zijn dikwijls anders, waardoor specifieke klanken worden verkregen.

Begeleiding:

Een zigeuner trekt zich niet zoveel aan van de harmonische structuur van de oorspronkelijke muziek. Hij zal zoveel mogelijk eigen akkoorden willen toevoegen en waar mogelijk de oorspronkelijke harmonie vervangen door een kleurrijk akkcoord, liefst met een orientaals tintje.

Dus er wordt vaker van akkoord gewisseld. Aan het einde van een melodie wordt een overgangsmelodie toegevoegd als voorbereiding voor de herhaling van de melodie. De toegevoegde akkoorden zijn vaak verminderde akkoorden en komen overeen met de oriëntaalse versieringen.

Niet alleen de akkoorden bepalen de stijl, ook andere middelen als het’te laat’ invallen, waardoor een ordeloze indruk ontstaat en het gevoel van improvisatie wordt versterkt.

Dit zijn enkele algemene kenmerken. Voor elk soort zigeunermuziek geldt het een meer dan de ander. De cante a palo sec in de flamenco, dus zonder begeleiding, is hierin zeer herkenbaar.

 

Flamenco-vormen

Als men kijkt naar de funktie kan men de flamencoliederen als volgt indelen:

 

- liederen zonder gitaarbegeleiding

- basisliederen

- dansliederen

- landelijke liederen

- onafhankelijke liederen

 

Deze lijst is echter niet volledig.

 

Liederen a palo sec

De oudst bekende liederen worden alleen gezongen. Je hoort ze zelden, daar ze moeilijk uit te voeren zijn. De oorsprong ligt bij de romances en de cantinas.

 

-  martinetes,    martillo = hamer            Ontstaan in de hitte van de smidse, waar zigeunersmeden en                                                        ketelappers  werkten,  hartverscheurende liederen begeleid                                                                              door hamerslagen op het aambeeld. (martillo = hamer) Vrij,                                                                   onregelmatig ritme

- carceleras,     cárcel = gevangenis       Zanger beklaagt zich over het verlies van zijn vrijheid. Liederen                                                          werden gebruikt om boodschappen en waarschuwingen te                                                                           brengen aan hun familieleden die buiten stonden te luisteren.                                                                    Gezongen in hun eigen taal, het caló.

- deblas,           debla= godin,               betovering, magie, duivel, ster

 

Basisliederen

- cana

- polo

- soleá

- siguiriya

 

Tot de essentie van de flamencozang behoort de soleá, ontstaan uit de oude cantiñas. Haar karakter is ernstig en gracieus. Deze soleá bracht een dromerige dans voort, de sfeer van het oude Cádiz. Het heeft een rustige maatsoort, geeft veel vrijheid aan de zanger met zijn explosies.

De siguiriya is ernstig, plechtig en van een tragische romantiek. Puur en primitief. Ze bevat de sleutel tot de dans. Caña en polo zijn zeer oude, formele dansen.

 

Dansliederen

Deze zijn minder dramatisch, levendig en worden begeleid door gitaar.

 

- bulerías

- tango

- alegrías

- caracoles

- romeras

- seguidillas

- sevillañas

- fandango

- rondeña uit Ronda

- malagueñas uit Malaga,

- granaias uit Granada  

- murcianas uit Murcia 

- verdiales, olijfoogstliederen uit Malaga

- tarantas mineras, karakteristiek mijnwerkersliederen

 

De alegrias is verwant aan de jota van Aragon., door de gezamelijke strijd tegen Napoleon, een flamenco-jota uit Cadiz.

De buleria is een zeer karakteristieke vorm van flamenco, een versnelde soleares, maar totaal andere sfeer. Het woord komt van zelfspot en voor de gek houden. Na de voorstelling, gaan de artiesten in een kringetje staan voor de fin de fiesta: de rollen worden omgedraait, men  doet wat men normaal niet doet; danser wordt gitarist etc. Dit gaat altijd op  een buleria. De buleria is dramatische feestmuziek.

De seguidillas en zijn afgeleide de populaire sevillana zijn ontstaan uit de fandango in La Mancha.

De verdiales werden begeleid door viool, tamboerijn, schoteltjes en ev twee gitaren.

 

 

Landelijke liederen

- cantes de trilla, begeleid door muilezelbelletjes

- serranas, herdersliederen uit de bergen, lange plechtige zinnen, zeer melodieus

 

Onafhankelijke liederen

- nana’s, wiegeliederen

- peteneras, langzaam en melancholisch, zigeuners willen ze niet zingen: onheilbrengend

- farruca, serieuze hakkendans voor mannen, weergave van stierenvechten

- bamberas, gezongen op het ritme van de schommel, bamba

- zambra, arab.

 

Men kan ook een onderscheid maken qua muzikale vorm:

 

Er is een grote groep van flamencoliederen en dansen in een 12-delige maatsoort, met accenten op 3, 6, 8, 10, 12. Ze zijn het meest als Flamenco herkenbaar. De muziek gaat veel dieper dan andere soorten. Dit zijn:

 

- soleá,             phrygische toonsoort

- alegrías          gebruikelijke westerse toonsoort, majeur. Up tempo. Na twee coupletten stopt                             iedereen en begint men in mineur en zet men een langzamer tempo in: een showing off                          waarin de danseres laat zien wat ze allemaal kan: langzame sierlijke bewegingen,                             daarna versnelt men weer

- caracoles       slakkenverkoopsterlied

- bulerias          een versnelde soleá, bestaat in verschillende toonsoorten

                       

Een andere tak wordt gevormd door de fandangos. De fandango is al vroeg ontstaan uit arabische vormen, als plattelandsdans ontwikkeld. Hier is de maat 3/4. met de accenten gewoon op de 1e tel.

De vormen zijn zeer divers en wijd verbreid. Er zijn fandangos met een vrij ritme en met een vast ritme.

 

Ritmische fandangos, in 3/4:

 

- verdiales

- sevillanas        3/4, maar het harmonisch ritme is anders: het eerste akkoord klinkt

                        gedurende de eerste twee tellen, het volgende akkoord gedurende  de laatste

                        tel van de voorafgaande maat en de drie tellen van de volgende maat.

De tango, niet te verwarren met de argentijnse tango, ontstaan in Cádiz onder invloed van Afrika, heeft een 4/4 maat, waarvan de eerste tel wordt weggelaten en vormt de basis voor de rumba flamenca, die weer is ontstaan onder invloed van het Caraibisch gebied.

De tiento is een vertraagde tango. Het volgende schema laat nog en andere indeling zien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 4     KUNSTMUZIEK

 

De ziel van de Spanjaarden konden we zien als een gevoelsziel. In Spaanse muziek zal het gevoel, het passionele, het romantische altijd een grote rol spelen. De Spaanse ziel heeft affiniteit met de polyfone muziek.

Ten tijde van de renaissance in Spanje speelde de rede nog niet zo’n grote rol; het religieus-magische was belangrijker. De Italiaanse renaissance is derhalve veel lichter dan die van Spanje, wiens renaissance  een soort nazomer van de middeleeuwen was. Polyfone muziek is ontstaan uit de zang van de middeleeuwen. De tekst speelde een belangrijke rol, het was op tekst gebaseerd. De betekenis van woorden werd gezien als een dynamische, creatieve kracht. Vooral kerkmuziek bloeide op in deze periode. Bekend is de muziek van het klooster in Montserrat.

Spaanse middeleeuwse-en renaissancemuziek  leveren een belangrijke bijdrage aan de Europese muziek uit die tijd.

In Spanje zijn woorden nog steeds erg belangrijk.  We zien in Spanje een heuse praatcultuur en ook bij de flamenco is de tekst van groot belang. Kerktoonsoorten worden nog veel gebruikt in de Spaanse volksmuziek. Het religieuze speelt nog steeds een grote rol.

In de Baroktijd, waarin het rationele, het logische, het instrumentale, kortom zaken die in verbinding staan met de intellectuele ziel van de Grieken, zien we niet veel belangrijke Spaanse componisten. Hier overheerst de rede teveel. In de nationalistische stroming in de romantiek duikt de volksmuziek weer op bij componisten zowel uit Spanje, zoals Albéniz, Granados, de Falla, als buiten Spanje, zoals Debussy, Ravel, Glinka, Chabrier, en Rimsky-Korsakoff.

 

COMPONISTEN

 

Spaanse componisten uit de renaissance:

Victoria, Morales, Flecha, Mudarra, del Encina en Guerrero

 

Juan del Encina was in dienst van de hertog van Alva, hij was de grondlegger van het Spaanse lyrische theater en publiceerde evenals Alonso Mudarra een grote verzameling stukken voor de vihuela of gitaar.

 

Uit de Klassieke tijd:

 

Fernando Sor, (1778-1839), stond bekend als gitaarvirtuoos. De gitaar was toen een veelbespeeld instrument in de kroegen. Hij studeerde muziek in het klooster van Montserrat. In 1808 vetrok hij met de Fransen  naar Parijs, vanwaar hij wereldtoernees maakte als gitarist. Vanaf 1827 vooral schreef hij veel gitaar muziek.

 

Spaanse componisten uit de Romantiek tot in twintigste eeuw:

De 19e-eeuwse Spaanse componisten Albeniz, Granados, Turina en De Falla, de Franse Debussy en Ravel en de Russische Glinka en Rimsky-Korsakov, maken deel uit van een beweging die nationaal folkloristische elementen in de muziek bracht om zich los te maken van de hegemonie van de Italiaanse muziek en de opkomende Wagneriaanse heroïek. De Franse, Russische en Spaanse componisten ontmoetten elkaar in Parijs en maakten de exotische sfeer van Spanje tot hun onderwerp. Zowel Rusland als Spanje ondergingen een orientaalse invloed en de Fransen waren ook uitermate gevoelig voor de dromenwereld van duizend en één nacht na hun smadelijke nederlaag. Zelfs de pianomuziek van deze Spaanse componisten gebruikt veel van het idioom van de gitaar, wat later voor gitaristen weer de aanleiding was transcripties van die pianostukken voor de gitaar te maken.

 

Manuel de Falla (1876-1946) wordt algemeen beschouwd als de grootste Spaanse componist van de 20e eeuw. Hij heeft samen met Albéniz, Granados en Turina Spanje een nationale kunstmuziek gegeven die gebruik maakt van de rijke Spaanse folklore. In veel van Falla's werken is vooral een sterke invloed van de Andalusische volksmuziek (flamenco) te horen.

 

DeFalla werd geboren in het Andalusische Cádiz en besloot al op zijn zeventiende om componist te worden. Hij studeerde piano in Madrid o.a. bij Felipe Pedrell. Van 1907-1914 verbleef hij in Parijs waar hij in contact kwam met Debussy, Ravel en Dukas. Van 1914-1918 week hij vanwege de oorlog uit naar Spanje. Daarna zou hij van 1919-1939 met zijn net als hijzelf vrijgezel gebleven zuster Maria del Carmen in Granada samenwonen tot hij zich door het fascistische regime van Franco genoodzaakt zag in vrijwillige ballingschap te vertrekken naar Argentinië, waar hij van 1939-1946 teruggetrokken leefde en is gestorven. Hij was een vriend van Garcia Lorca. 

 

DeFalla heeft een klein oeuvre nagelaten, waarvan hier een aantal werken zijn genoemd. De vroege opera La Vida breve; Noches en los jardines de España (1911–1915) voor piano en orkest; de bekende Siete canciones populares Españoles (1914); het ballet El amor brujo (1914–1915; met daarin de beroemde vuurdans Danza ritual del fuego; het ballet El sombrero de tres picos (1919); El retablo de maese Pedro (1923),een poppenspel-opera over Don Quichotte.

 

Isaac Albéniz (1860-1906) werd geboren in de buurt van Gerona (Catalonië). Na een vroege 'loopbaan' als wonderkind-pianovirtuoos en componist van honderden (onbekend gebleven) jeugdwerkjes voor piano, krijgt hij een studiebeurs van de Spaanse koning toegewezen, die hem toelaat zijn talent bij beroemde leermeesters te laten ordenen: in Barcelona bij Pedrell, in Parijs bij Marmontel. Vooral het contact met Pedrell was beslissend voor zijn verdere loopbaan als componist; samen werden ze de grondleggers van de Spaansnationalistische School, gebaseerd op de studie van de Andalusische volksmuziek.

Na een periode van concertreizen doorheen Europa en Amerika krijgt hij leraarsambten aangeboden in Barcelona en Madrid. Erg boeiend vond hij deze bezigheden niet, en ten slotte trekt hij naar Parijs, wordt er leraar aan de Schola Cantorum en raakt intiem bevriend met Debussy. Deze verhouding werkt voor beiden bevruchtend in op hun compositorisch werk. Albéniz sterft in de Pyreneeën op 16 juni 1909.

 

De composities van Albéniz zijn hoofdzakelijk geschreven voor piano, en de titels wijzen ons onmiddellijk op zijn Spaans-nationalistisch engagement: Cantos de España , Suite Espagnole, Iberiasuite ; verder enkele opera's, orkestwerken (Catalonia, Rhapsodia Española: met pianosolo) en vocaal werk (Christus-Oratorium, liederen, ballades, zarzuela's). Zijn Iberia, voor piano, werd in Parijs geschreven. Daarin zijn karakteristieken van de verschillende Spaanse regio’s te horen. Zijn vele reizen door Spanje heen gaven hem daartoe de inspiratie. De suite werd door Debussy de hemel in geprezen.

 

Enrique Granados (1867-1916), geboren in Catalonië, hoort ook in het rijtje van belangrijkste componisten van Spanje. Hij had niet zozeer belangstelling voor de cultuur van zijn regio, alswel tot de Castilliaanse muziek en klassiek- en vroeg-romantische muziek uit Spanje. De pianosuite Goyescas en de daarop gebaseerde opera geven een persoonlijke uitdrukking van zijn nationalisme, meer gebaseerd op oude hoofse dansen en niet op de flamenco. Hij was leerling van Pedrell en stichtte het conservatorium in Barcelona. Op de terugweg van NewYork naar huis werd het schip getorpedeerd door de Duitsers en verdronk hij, samen met zijn vrouw.

 

Joaquin Rodrigo (1901-1999), werd geboren in Valencia.

Sedert zijn derde jaar was hij blind, studeerde in Parijs compositie bij Dukas.

Hij onderging invloed van De Falla en Turina en maakte studie van de werken van Alessandro Scarlatti en Soler. 

In 1948 werd hij hoogleraar muziekgeschiedenis in Madrid. Voor zijn composities maakte hij graag gebruik van oude spaanse muziek en vooral andalucische folklore. Hij verwierf wereldnaam met zijn Concierto de Aránjuez (1939), geschreven in Parijs, voor gitaar en orkest. Hiermee maakte hij de gitaar in de klassieke muziek concertwaardig. In dit werk zijn vele flamenco kenmerken te ontdekken.

Het concert werd op 9 november 1940 voor het eerst gespeeld en wel door de gitarist Regino Sainz de la Maza en was vanaf het begin een groot succes. Ook in andere zettingen is het concert uitgevoerd. De jazz-uitvoering van Milas Davies is ook zeer sfeervol én in stijl.

Chick Chorea begint zijn Spain met het thema van het tweede deel.

 

 

Federico Mompou (1893-19871) is altijd geboeid geweest door de muziek van zijn geboortestreek Catalonië. Mompou pleitte voor helderheid en eenvoud, voor een ‘muziek van het hart en voor het hart, niet een muziek van het hoofd voor het hoofd. Een huiselijke muziek, een muziek van alledag...’.

Muziek moet volgens hem het resultaat van pure inspiratie en niet van een systeem zijn. Geen wonder, dat de volksmuziek in zijn werk een voorname plaats vond.

De 12 Canciones y Danzas zijn vaak gebaseerd op Catalaanse volksliedjes en dansen. Ook de diepe, ‘primitieve’ religiositeit van de componist is duidelijk voelbaar.

Er lijken gemeenschappelijke elementen in al deze door de volksmuziek geïnspireerde composities aan te wijzen. De vorm is altijd eenvoudig en kort, de stukken lijken grotendeels spontaan en geïmproviseerd tot stand te zijn gekomen. Er is een sterk verhalend element aanwezig: het kost weinig moeite beelden en gebeurtenissen met de muziek te associëren.

Onder deze eenvoudige bovenlaag zijn echter complexere lagen verborgen. Uiteindelijk hebben we hier toch met ‘kunstmuziek’ te maken en dat zorgt voor een grotere complexiteit en raffinement dan de oorspronkelijke muziek, die aan haar wieg stond.

 

Niet-Spaanse componisten:

 

Claude Debussy, de baanbrekende franse componist, schreef ook een Iberia, onderdeel van Images III; het is een drie-delige suite geschreven voor orkest. Aanvankelijk verguisd door zijn adepten, die geen stuk hadden verwacht in een zo uitbundige en ogenblikkelijk aansprekende sfeer, maar later zou  het zijn meest populaire orkestwerk worden. Het is geinspireerd op de Moorse poetische kunst, op de zuiderse vreugde en hartstocht. Nochthans zijn er sporen van rechtstreekse thematische verwerking; het is geschreven vanuit een intuitief Spaans. Debussy is er nooit geweest.

 

Rimsky- Korsakoff, (1844-1908) Russisch componist, lid van Het Machtige Hoopje, was al vroeg als marineofficier op wereldreis. Hij schreef naast zijn beroemde orkestwerken en orkestraties, oa Capriccio Espagnol.

 

Ravel, Frans componist (1875-1937) geboren in de Pyreneeën, zijn moeder was van Baskische afkomst. Zijn vader was een horloge maker met Zwitserse precisie. Van hem erfde hij zijn detaillistische en minutieuze werkwijze. Hij ontwikkelde zich tot componist, wiens pianistische stijl van belang is. Verder was hij een groot orkestrator en experimenteerde graag met vormen. Hij had affiniteit met kinderen, dieren, de antieken en het exotische. Kenmerken is zijn zin voor vastomlijnde melodiepatronen. Zijn muziek bevat veel dansvormen. Zijn muziek  heeft zeker kenmerken van de Spaanse muziek ondanks dat hij het meest in Parijs vertoefde. Hij schreef oa. de beroemde Bolero voor orkest, waarin de complex ritmische begeleiding opvallend is.

 

Chabrier (1841-1894) studeerde niet aan het conservatoriom. Zijn eerste leraren waren Spaans. Hij verkeerde in de kringen van de bekende componisten van Frankrijk en de impressionistische schilders uit die tijd. Tijdens een lange reis door Spanje, raakte hij vooral geispireerd door de Andalusische folklore.  Thuisgekomen schreef hij Rhapsodie España.

 

Dick van der Harst (1958) maakt graag gebruik van volksmuziekidioom in zijn composities.

Hij schreef een bulerias, sevillanas en een pasodoble, waarin spaanse elementen absoluut hoorbaar zijn. Ook bewerkte hij laat-middeleeuwse muziek van de spaanse componist Encina voor draaiorgel.

Naar catalaans voorbeeld stelde hij een reuze fanfare samen, waarin de bekende toeters hun plaats hebben. Een oorverdovend succes.

Keltisch idiomm is de horen in Diep in het Bos, over de meisjes van Dutroux.

In zijn La Casa de las Musiquillas Occultas neemt traditionele spaanse muziek een centrale plaats in.

 

In het kader van Brussel culturele hoofdstad 2000 schreef hij een suite waarin diverse volksmuzieksoorten een plaats hebben: een flamencozangeres naast een klassiek zangeres, een moderne flamencodanseres, een ierse folkgroep, een klassiek octet, een pianist, een percussionist, een vrouwenzanggroep uit Gallicië en de meester zelf met gitaar en bandoneon. We horen cante jondo begeleid door het klassiek octet, wat strijkkwartetmuziek van Mozart speelt. Flamenco wordt met keltische muziek doortrokken. Flamencodans neeemt op sommige momenten een autonome plaats in. Een lied van Mozart klinkt en in Gallicië blijken ze eenzelfde melodie te kennen, maar daar klinkt het totaal anders. Veel verschillende diciplines gevangen in een een-makende kunst.

Het geheel trekt volle zalen onder de titel La Casa de las Musiquillas ocultas, het huis van de verborgen muziekjes.

 

BELANGRIJKE SPAANSE MUSICI

 

Pablo Casals

Montoya, flamenco-gitarist

Segovia, klassiek gitarist

Paco Peña, flamenco-gitarist, thans conservatorium leraar Rotterdam

Paco de Lucia, bracht de flamencogitaarkunst op een hoger plan

Tomatito, flamenco-gitarist

Placido Domingo, uit Madrid, getogen in Mexico. tenor

José Carreras, uit Barcelona, tenor

Alicia de la Rocha, pianiste

 

 

Pablo Casals (1893-1987) uit Catalonië, was de grootste cellist van de 20e eeuw. Hij begon de dag met Bach op de piano en eindigde met het Catalaanse volklied op de cello. Hij maakte de cello groot.

Hij wilde niet meer onder her Spaanse regime wonen en vertrok naar het buitenland. Helaas stierf hij eerder dan Franco, dus hij is niet meer naar Spanje teruggekeerd.

BESPREKING ORKESTWERKEN

 

- Bolero van Ravel

- Concierto de Aranjuez van Rodrigo

- La Casa de Las Musiquillas Occultas van vd Harst

 

De Bolero is oorspronkelijk geschreven voor ballet, in 1928.

Technisch gezien wordt het een meesterstuk genoemd, maar Ravel noemde het stuk muzikaal inhoudloos. Toch staat het stuk bekend als één van zijn meesterwerken. De bolero bestaat uit twee thema's, twee ostinate melodiën, die telkens door andere instrumenten wordt gespeeld. Het stuk begint met een enkele fluit waarna langzamerhand het gehele orkest gaat meedoen en een extatisch fortissimo wordt opgebouwd. De sfeer is ritueel bezwerend, heel spannend om te horen. Spanning wordt vooral veroorzaakt door het constante tempo in het ritmische ostinato en het crescendo daarbij. Ravel ziet af van motivische verwerking of geraffineerde vormen. Verrassend is het plotselinge E-groot akkoord, vlak voor het eind. Het stuk duurt ca. 15 minuten.

De melodie heeft oosterse kenmerken zoals een omspelende melodie en op dezelfde hoogte terugkerende (lange) tonen.

 

Over het stuk zei Ravel eens "In 1928, op verzoek van Mme Ida Rubinstein componeerde ik een boléro voor orkest. Het is een vrij langzame dans, uniform in melodie, harmonie en ritme, dit laatste continu gespeeld door de kleine trom. Het enige element van variatie vormt het crescendo in het orkest". Het is een feit dat een stuk, dat voor het effect afhangt van het vakkundige gebruik van contrasten in orkestrale timbres, een onverstoorbaar ritme en een zeer nauwgezet en gecontroleerd crescendo zonder enige variatie in het thema, telkens herhaald van de eerste tot de laatste maat, noodzakelijk meer een beroep moet doen op gevoelens dan op verstand of geest. Dit stond Ravel voor ogen toen hij de muzikale inhoud van het stuk met de woorden "Malheureusement il est vide de musique" afkeurde. Niemand was zo verbaasd over het succes van Boléro als Ravel zelf. Lange tijd was de componist ervan overtuigd dat het stuk nooit zijn weg naar de concertzaal zou vinden, omdat zonder de choreografie van het ballet, het enige element dat variatie bracht, het onaangenaam zou zijn voor het gewone publiek van symfonische concerten.

Om misverstanden over Boléro te voorkomen, schreef Ravel de volgende toelichting op het stuk aan de criticus Calvocoressi die dit op 16 juli 1931 in Daily Telegraph publiceerde: "Ik verlang bijzonder graag dat er geen misverstanden ontstaan over mijn Boléro. Het is een experiment in een heel bijzondere en beperkte richting, en moet niet beschouwd worden als een poging iets anders te bereiken of meer dan dat, dan wat het nu bereikt. Voor de première waarschuwde ik voor het effect dat wat ik had gecomponeerd een stuk was dat 17 minuten duurde en geheel gebaseerd was op een orkestraal weefsel zonder muziek - op een lang, zeer geleidelijk crescendo. Er zijn geen contrasten en er zijn vrijwel geen vondsten behalve in het basisidee en de wijze van uitvoeren. De thema's zijn onpersoonlijk - volksmelodieën van het gebruikelijke Spaans-Arabische soort. Wat er dan ook ooit tegenovergesteld is beweerd, de behandeling van het orkest is eenvoudig en rechtlijnig, zonder de kleinste poging tot virtuositeit."

 

Jane Bathori:

He was always very simple and was a delightful friend. He never sought honours: on the contrary, sometimes he asked himself what people saw in his music, for instance one day he said to me, "I've composed a Bolero for Ida Rubinstein - it's a little thing. Ansermet finds it very good, I really can't think why."

Alexandre Tansman:

Boléro was first perfomed as a ballet by Ida Rubinstein, commissioned by her, and it was not a musical success. And then Toscanini came with the New York Philharmonic and played it much faster. And Ravel was not pleased at all. We were in the same box and he wouldn't stand up when Toscanini tried to get him to take a bow. Then he went backstage and told Toscanini, "It's too fast," and Toscanini said, "It's the only way to save the work."

Arthur Honegger:

Ravel said to me, in that serious, objective manner which was characteristic of him: "I've written only one masterpiece - Boléro. Unfortunately, there's no music in it."

 

Concerto de Aranjuez van Joaquin Rodrigo

 

Het was dit concert wat de gitaar een volwaardige plaats in de orkestliteratuur gaf.

Ondanks het enthousiasme van componisten als Schubert, Berlioz en Paganini voor het toen nieuwe instrument (ze konden er alle drie goed op spelen) duurde het tot in de twintigste eeuw voordat de gitaar tot een medium evolueerde dat serieuze artistieke aandacht.

Meerdere componisten hebben voor gitaar goede stukken geschreven, maar degene die meer dan wie ook heeft gedaan om de gitaar op te stuwen in de vaart der volkeren, is de blinde Joaquin Rodrigo, die meer dan twee dozijn werken voor het instrument heeft geschreven. Zes daarvan zijn in concertante vorm.

Het Concierto de Aranjuez is daaronder het bekendste; het bereikte een populariteit die veel groter is dan die van welke andere compositie voor de klassieke gitaar dan ook. Er wordt wel gezegd dat het zelfs het meest geliefde en vaakst gespeelde concert voor welk instrument dan ook uit de twintigste eeuw is.

Het Concierto ontleent zijn naam aan het koninklijk paleis in Aranjuez, een stad aan de rivier de Taag ten zuidoosten van Madrid. Dat paleis was ooit de zomerresidentie van de Spaanse Bourbon-koningen en Rodrigo zwierf vaak door de mooie tuinen in de jaren die vooraf gingen aan de compositie van het werk.

Rodrigo begon aan het Concierto de Aranjuez in een cruciale periode in de Spaanse muziekgeschiedenis.

De bloedige trauma’s van de burgeroorlog hadden het leven in Spanje sinds 1936 geteisterd en terwijl Rodrigo, die in het buitenland leefde, in 1938 aan het stuk begon, werd de behoefte aan Spaanse kunstenaars die de continuïteit van de rijke en veelzijdige erfenis van de Spaanse cultuur wilden voortzetten sterk gevoeld.

Het is daarom nauwelijks verrassend dat de muziek uit het Concierto de Aranjuez dat in 1939 werd voltooid fundamenteel conservatief van aard is. Bij het schrijven van het concert vermeed Rodrigo welbewust de meer “revolutionaire” aspecten van de avant-gardistische compositietechnieken uit de periode van vóór de burgeroorlog. Hij putte liever uit de bronnen van een eerdere, hoffelijker en bezadigder tijd.

Door terug te grijpen naar klassieke procédés en door te kiezen voor een van de mooiste monumenten uit de Spaanse architectuur als symbolisch centrum van dit werk maakte Rodrigo van het Concierto de Aranjuez een treffend blijk van zijn geloof in de beschavende waarden van het verleden van een natie, en dus duidelijk als noodzakelijk correctief van een verschrikkelijk destructief heden. Dat humane, impliciet nationalistische “programma” was ongetwijfeld deels verantwoordelijk voor het onmiddellijke succes van het werk, toen het in 1940 door de Spaanse gitarist Regino Sainz de la Maza ten doop werd gehouden. Nog steeds geldt het Concierto de Aranjuez als Rodrigo’s succesvolste compositie: zijn gracieuze, energieke ritmen en het duidelijk Spaanse melodiegevoel zijn weliswaar in geen enkel opzicht vernieuwend, maar blijven wel voortdurend de harten van het publiek verwarmen en blij maken.

Het Concierto de Aranjuez was door Rodrigo bedoeld om grofweg de sfeer van het Spaanse hofleven rond het begin van de 19e eeuw te schilderen, en periode die we ook kennen uit de schilderijen van Goya uit diezelfde tijd.

Gegoten in de conventionele driedelige vorm begint het Concierto met een veerkrachtig, levendig  Allegro con spirito wat ons meteen aan het ritme van castagnetten doet denken, en dat zodanig is georkestreerd dat de levendige penseelstreken vol vaardig geschetste instrumentale kleuren schitteren.

Het Adagio dat even lang is als de hoekdelen samen is gevormd rond een haast kwellend sfeervolle meditatie voor althobo en gitaar waarbij zich later andere instrumenten voegen.

Dit alles is door Rodrigo als “elegische dialoog” bestempeld. Dit heet een echo te zijn van de Saeta, een deel van een jaarlijkse religieuze processie tijdens de lijdensweek in Sevilla.

De vlotte Allegro gentile finale is in rondovorm. Speels afwisselende ritmische patroontjes van elk twee of drie maten lengte in de komische pas van een imaginaire hofdans brengen het Concierto de Aranjuez dat de componist zag als “even wendbaar als een vlinder” tot een geestig en treffend eind.

 

De gitaar wordt begeleid door een fluit, een piccolo, een hobo, een Engelse hoorn, twee klarinetten, twee fagotten, twee hoorns, twee trompetten en strijkers.

 

 

La Casa de Las Musiquillas Ocultas door Dick van der Harst

 

In het kader van Brussel culturele hoofdstad 2000 schreef hij een suite waarin diverse volksmuzieksoorten een plaats hebben: een flamencozangeres naast een klassiek zangeres, een moderne flamencodanseres, een ierse folkgroep, een klassiek octet, een pianist, een percussionist, een vrouwenzanggroep uit Gallicië en de meester zelf met gitaar en bandoneon.

 

Het stuk begint met onbegeleide cante jondo door de flamencozangeres, aflopende cadenzen.

Een omhoogborrelende pianoriedel, eindigend in een triller die overgenomen wordt door het zapateo van de flamencodanseres, begeleid door het orkest en de bandoneon.

Dan een vrolijke melodie van Machault, unisono door de klassieke zangeres, bandoneon en orkest. met in de begeleiding een trommel. Deze melodie wordt afgewisseld met een Gallicisch spreekvers.

Moderne jazz door piano op een spaans ritme wordt afgewisseld met danstunes in keltisch idioom.

 

Dan, plotseling, droefgeestige eenstemmige Gallicische vrouwenzang begeleid door orgelpunt en een slagwerkgrapjas. Het beginlied wordt nu gezongen door de klassieke zangeres.

Traditionele zang uit Gallicië wordt afgewisseld met nieuwe muziek (met dank aan Poulenc).

We horen een lied van Mozart, afwisselend gebracht door de klassieke zangeres, een dronken bandoneon en de Gallicische meisjes. Naadloos, maar niet zonder een zeker effect, gaat de muziek over in een melancholieke franse wals voor de trekzak.

Vervolgens horen we flamencozang begeleid door een strijkkwartet van Mozart. Een danssolo volgt en gaat over in ierse danstunes.

Klaagzang begeleid door een phrygisch dalende cadens door piano en strijkers eindigend in verstilling......Door een bulgaarse dans worden we weer in beweging gebracht.

Tegen het einde komt, met behulp van alle artiesten, piepend en knarsend het draaiorgel tot leven. Onmiskenbaar schots en iers klinkt uit de pijpen en ontaardt in een complete kakofonie, waaruit een ostinato van één toon, kort gestreken door de strijkers, voortkomt.

Het stuk eindigt met het lied van het begin gezongen door de Gallicische meisjes, de klassieke zangeres en als laatste door de Flamencozangeres.

Literatuurlijst

 

Duende, roman                                                                         Jason Webster

National Geographic reisgids Spanje                                                     Fiona Dunlop

Spanje spectrum reisgids                                                                       collectief

Spanje achter de schermen                                                                   Steven Adolf

De zwarte renaissance                                                              Chris van der Heide

Spanje, handboek over land, cultuur en bevolking                                  Kees van Dooren

Duende, een bericht over Andalusië, Flamenco en Zigeuners      Ivo Hermans

Spanje, een reis in foto’s                                                                       Jordan Darwell

Geschiedenis en cultuur van Spanje                                                       Jeroen Oskam en Arantxa Safon

Spaanse burgeroorlog                                                                           Joris Smeets

Flamenco en Spaanse dans                                                                   Basilio Munoz Mora

Dansen en muzikale folklore van Spanje en Portugal                              Maya Hoogveld

Wikipedia encyclopedie

Guitars                                                                                     T.& A.Evans                                       

Tablao Flamenco, tijdschrift voor aficionados

 

Internet

 

Met dank aan Ruud Stoop, flamencogitarist

                       Los de Málaga, flamenco dansers

                       Antonita, leerkracht vrije school

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Les 1    klas 9/10

 

Benodigdheden: Tekst en muziek van Gallisch lied  -Mar de tu!- voor de leerlingen

                           Bord en krijt

                           Gitaar met capo

 

Beschrijving situatie: Leerlingen op stoel in wijde boog. Jongens-en meidjesgroep. Docent midden                                               voor.

 

Inleiding: We gaan ons de komende weken bezighouden met een Spaans lied. Het lied komt uit het noorden van Spanje, waar veel bergen zijn en verhaalt over een meisje wat zich beklaagt over het feit dat ze met een man uit de bergen is getrouwd want het leven is daar zwaar. Ze moet veel boodschappen de berg opsjouwen, water halen; het weer is veel extremer dan in het dal, misschien moet ze ook nog een oude schoonmoedere verzorgen. Het ritme is typisch spaans, luister maar:

 

Ik klap  qqq  qqq  q   q    en nodig met een gebaar de klas uit mij na te doen. En we doen dit een paar maten achter elkaar. Vraag: hoe kunnen we dit ritme duidelijker maken? Antwoord:

Door accenten te klappen. Ik doe dit duidelijk voor, met hoofd-en nevenaccenten. Ik vertel van te voren dat de geaccentueerde klappen de hoofdaccenten zijn en de zwakkere de nevenaccenten.

De klas oefent dit. Ik splits de klas in tweeën en de opdracht: luid groep 1 speelt alleen de hoofdaccenten en groep 2 klapt alles. Maar eerst groep 1 even apart laten oefenen. Daarna samen en wisselen.

 

Nu naar het lied. Ik deel de tekst en muziek uit.

Ik lees de eerste zin voor en de klas herhaalt, spreekt de tekst. Paar keer herhalen. Dan zing ik de eerste zin voor, ik begeleid mezelf op gitaar, en de klas zingt de eerste zin na. Ik herhaal dit een paar keer totdat het goed is. Ik ga verder met de volgende zin te spreken en herhaal deze procedure totdat het eeste couplet zit.

 

Terug naar het ritme. Vraag: wie kan het ritme, waar we de les mee begonnen zijn, op het bord noteren? Hulp: wat hoor je bij  qqq   qqq ?? Ik gebaar dat het om twee groepjes gaat. Hoeveel per groepje?En dan q  q . Zijn deze sneller of langzamer dan de eerste noten? Langzamer. OK.

Het voorspel bij dit lied gaat als volgt: qqq   qqq ?q  q      

                                                 qqq   qqq ?q  q   

                                                 qqq   qqq ?q  q    qqq ?q

Noteer dit bij het lied. We gaan dit eerst goed oefenen. Na een paar keer zal dit lukken.( Vergeet niet de leerlingen te complimenteren als het uiteindelijk lukt). Ik vervolg:

 

Direkt na dit voorspel begin ik meteen met zingen. En jullie vallen in bij de herhaling. Hetzelfde bij de tweede zin.      -Ik zal met de klas nog mee moeten zingen.-

We eindigen met het voorspel, nog een keer het hele couplet én het naspel. Schrijf je naam boven het lied en leg ze op een stapel op de piano. Ik zal ze in de mappen stoppen. Einde les.

 

Les 2    klas 9/10

 

Doelstelling: eerste couplet lied kunnen zingen met de inzetten van de herhalingen op tijd

 

Benodigdheden: bord en krijt

                          liedmappen

                          gitaar met capo

 

Situatie: leerlingen zitten in wijde boog voor Docent. Jongens-en meisjesgroep.

 

We gaan deze les verder met ons Spaanse lied.

Vraag: wie weet nog hoe het ritme ging, wat we de vorige les geoefend hebben?

 

qqq   qqq ?q  q      Laat duidelijk de hoofd-en nevenaccenten horen. Weet iedereen nog het verschil tussen hoofd-en nevenaccenten? Klap nu de hoofdaccenten met je handen en de nevenaccenten op je benen. Niet te snel. Nu kunnen we bij de laatste twee noten nog twee nevenaccenten toevoegen, zodat je dit hoort:   qqq   qqq ?qqqq

Dit gaan we nu oefenen, hoofdaccenten met de handen, nevenaccenten op de benen. Lukt het bij iedereen? Als het lukt, dan kunnen we  het beginpunt wisselen.

 

We gaan zingen, dus ik laat de mappen uitdelen. Pak het Spaanse lied Mar de tu!

We slaan het voorspel even over en concentreren ons op het zingen. Misschien eerst nog even de tekst uitspreken om het weer in de herinnering te krijgen. Dan zing ik voor en zij na, de eerste en de tweede zin, ik begeleid op de gitaar.  Het hele couplet door, zo goed en zo kwaad als het gaat.

Hoe weten jullie nu wanneer jullie inzet is? Het voorspel eindigt met qqq ?q

Meteen erna val ik in met de eerste zin. Op het laatste woord, dus óp het woordje pan  kunnen we weer klappen qqq ?q  waarna júllie meteen invallen. Ik laat ze dit eerst helemaal met de stem oefenen, dus: ta-da-da-da-eu (ejoe) casenme na montagña....We oefenen dit even apart, en met herhalingen van de eerste zin.  Ik oefen mee zonder gitaar. Dan met gitaar en met het hele voorspel: ik zing de eerste zin, zij de herhaling.

De tweede zin gewoon inzetten en de klas die laten herhalen zonder uitleg.

Vraag: is het tussenspel tussen de tweede zin en zijn herhaling net zolang? Antwoord is dus: langer.

We doen  dus een langer voorspel nl: qqq   qqq ?q  q   qqq ?q

Apart oefenen het korte tussenspel en het lange tussenspel.

Deze tweede zin apart oefenen, met het korte tussenspel wat daarvoor komt, en het langere tussenspel erna. De tussenspelen laten noteren op het papier.

Tot slot alles doen         voorspel

                                    eerste zin

                                    kort tussenspel

                                    herhaling eerste zin

                                    kort tussenspel

                                    tweede zin

                                    lang tussenspel

                                    herhaling tweede zin

                                    lang tussenspel

 

Klas complimenteren, want hoe ze het ook doen: dit is niet gemakkelijk. En ik wil ze dit ook zeggen.

Einde lesonderdeel.

 

 

 

Les 3    klas 9/10

 

Doelstelling:        Het ritme in hoketus kunnen klappen

                          eerste en tweede couplet kunnen zingen

 

Benodigdheden: castagnetten op plankje

                          gitaar plus capo

 

Situatie: klas zit op stoelen in een wijde kring voor mij. Ik sta.

 

Herhaling van de vorige les:

Ik zet het ritme in en de klas volgt mij. Hoofd-en nevenaccenten op bovenbenen oefenen. Ook het beginpunt wisselen, dus eerst op de bovenbenen of eerst klappen. Dan in tweetallen hoofd-en neven accenten oefenen. Staand. Dus zonder pauze het ritme een aantal keer achter elkaar klappen. Ook wisselen.

 

Nu hetzelfde maar in twee grote groepen. Eventueel het tempo drastisch verlagen als het echt niet gaat.

Goed sterk en zwak uit laten komen. Het zal niet zomaar goed gaan, maar het moet toch geoefend worden.

 

Vraag aan lln. stellen: weet jij nog hoe het voorspel ging? Als het antwoord gekomen is, klassikaal het voorspel doen. Ikzelf speel gitaar erbij.

Vraag: wanneer begin ik te zingen? Luister ik doe het een keer voor. Antwoord: de achtste beweging gaat gewoon door. Jullie vallen op dezelfde manier in, dus ook na ta-da-da-da, ofwel  een , twee, drie, vier.....

Ik tel opnieuw af en zet de melodie in en speel gitaar en we zingen de rest van het couplet uit.

De inzet van de tweede zin zal nog enige oefening vergen.

We gaan het nu zo doen: ik zing en de klas klapt alleen de voor-en tussenspelen. Wie wil op de castagnetten? Dan maken we het nog spaanser! Ik laat de lln. even uitproberen en daar gaan we.

Dan nogmaals maar nu zingen de meisjes en de jongens met de castagnetten zorgen voor de begeleiding.

 

Volgende week wil ik er een paar gitaren bij hebben, wie willen dit doen?

Namen noteren.

Mappen inleveren.

 

 

les 4     klas 9/10

 

Doelstelling: -eerste en tweede couplet kunnen zingen

                     -gitaristen kunnen de twee akkoorden van het voorspel spelen in het goede ritme    

 

Benodigdheden: vier gestemde gitaren plus capo

                          blaadje met tekening van akkoordgrepen op gitaartoets

                          ander lokaal waar git. kunnen oefenen

                          castagnetten

                          eigen gitaar plus capo

 

Inleiding:           Ik begin nu het ritme anders nl   q   q    qqqq    ,  q   q    qqqq

(Dit is het complementaire ritme) Klas klapt mee. Vraag: wat is nu het verschil met ons andere ritme? Hoe ging dat ook weer? Iemand laten klappen. Antwoord: precies andersom, eerst waren de snelle nootjes eerst en nu zijn ze het laatst.

Oefening: de meisjes doen:   qqq   qqq      -    -                                  

                de jongens doen      -          -         qqqq

En natuurlijk wisselen.

 

Gitaristen moeten zich melden. Klas moet gewoon kijken, wie weet ben jij ook  een keer aan de beurt. Ze krijgen een gitaar en ik doe ze het E akkoord voor en laat zien dat het één vakje opschuift, in dezelfde greep. De rechterhand geeft een slag naar beneden op de hoofdaccenten. Ik stuur ze met de akkoordfiguratie’s vervolgens naar een ander lokaal ter oefening. Meestal is er wel iemand die gitaar speelt en het toezicht op zich kan nemen. Tien minuten voor tijd terug.

Met de rest van de klas ga ik verder.

Voorspel wil ik nu doen als de vooroefening, jongens en meisjes afwisselen en de laatste riedel gezamelijk. We doen het eerste couplet. en werken aan de punten die nog aandacht behoeven. Vervolgens laat ik het tweede couplet horen. Vraag: gaat het tweede couplet net als het eerste? Dit couplet is makkelijker.

Ik spreek regel voor regel de tekst en klas herhaalt. Ik vertel dat sommige letters anders uitgesproken worden dan bij ons, zoals de x en de z. In de laatste regel staat en-rrrr-iba en vertel dat de Spanjaarden dat met een ndrukkelijke tongpunt rrrrrrrrr uitspreken. Laat de klas dat doen.

Nu zing ik regel voor regel en zij zingen na.

Dan heel het coupletzingen. Ik vertel ze dat het beginritme gedurende het hele couplet volgehouden kan worden. We demonstreren dat, klas klapt en ik zing, speel ook in dat ritme de begeleiding op de gitaar.

Gitaristen komen terug en zij installeren zich voor de groep en naast mij. Zij laten eerst zien hoe dat het ze af is gegaan en dan spelen we gezamelijk het lied: voorpel zoals in het begin van de les.

 

Gitaristen en klas complimenteren, gitaren aanpakken en wegzetten. Mappen inleveren. Einde les.

 

 

 

                       

PIANO-MUZIEK GEBASEERD OP SPAANS IDIOOM

 

La fiesta                                               Chick Chorea

Spain                                                    Chick Chorea

Pasodoblillo      (gitaar)                         Joep Wander

Tango II (Habanera)                             M. Seiber

Sieste Andalouse                                  F. Longa

Spanish Rapsody qm                            M.Goldston

 

 

 

Luisterstuk I Concierto de Aranjuez  J. Rodrigo            klas 8-9

 

Inleiding: ik begin met een ritme oefening: het begin ritme van het eerste deel.

 

  qqq qq qqq q q q qqq qq qq

In gedeeltes opbouwen, als ze het kunnen in drie groepen cumulatief laten klinken.

Dan op bord laten noteren.

 

Ik zal de klas  vertellen over de componist Rodrigo, van zijn afkomst en blindheid.

Ook dat de gitaar in het orkestwezen een ondergeschoven kind was en met dit concert zich een volwaardige plaats op het concertpodium verschafte.

We gaan luisteren, eerst een stukje naar het eerste deel, wat natuurlijk met dat ritme  begint. Misschien ontdekken ze het.

Eerste fragment: intro door gitaar: welke funktie heeft de gitaar hier als je mag kiezen uit: melodie, ritme of samenklank? (ritme)

Aan welk instrument uit Spanje doet je dit ritme denken? (castagnetten)

Wat doen de strijkers hier? (nemen het ritme over van de gitaar)

 

We luisteren tot 156 .....fade out. We gaan over naar het twede deel.

0-44     Welke instrumenten hoor je (hobo, gitaar, later ook strijkers)

            Welke funktie hebben ze elk? (hobo-melodie, gitaar- begeleiding)

            Die melodie, wat voort soort melodie is het, wat voor sfeer drukt ie uit?

            Is het de gitaar alleen die begeleidt? (nee, ook strijkers)

            Wat voor lijn spelen de strijkers, kan iemand tekenen op bord? (dalende lijn)

            Wat drukt deze lijn uit? ( terugtrekking, inzichzelf, droevig, melancholie)

046      Wat is nu de rol van de gitaar? Speelt hij een nieuwe melodie? Laat het begin nog een keer                                   horen. Het is dezelfde melodie; toch is er een verschil, welk? (manier waarop) Hoe is dat                               verschil te verklaren? (gitaar is een tokkelinstrument en kan niet makkelijk langklinkende                             tonen makkelijk, derhalve zal hij veel versieringen maken, ook kan zo virtuositeit getoond                         worden, het is immers een gitaarconcert)         

            Wie neemt nu de begeleiding op zich?

            De melodie gaat verder. Welk instrument weer? (hobo)

200      Wie verwacht je, zal de melodie weer herhalen? (gitaar)

 

Ik deel nu bladmuziek van het thema uit. We luisteren nogmaals van het begin en volgen de noten.

Ik noteer het schema op het bord

 

242      Ik wijs ze het motief aan die de strijkers gaan uitwerken. De gitaar gaat ook met een motief               aan de gang. Ik laat dat nog een keer horen de de lln. moeten dat in de noten opzoeken.

353      Wat speelt het orkest? (de eerste maat van het thema) Het orkest speelt het nog een keer. Is                         het precies hetzelfde?

440      wie speelt hier de melodie? En wie de begeleiding ? (gitaar)

 

We krijgen nu een overgangsstuk met orkest. Welke instrumenten spelen kort een hoofdrol? (blazers)

708-926           Luister nu naar de solo voor gitaar: hij werkt hier met materiaal van het thema.                                      Probeer het thema erin te horen; ook hoe de componist hiermee speelt.

                        De gitarist gaat ritmisch flink te keer.-Ik zet de muziek even stil. Wat zou er nu                                             kunnen komen, denk je?

 

926-1050         Herken je de melodie van het orkest? (thema)              

                        Hoe zou je de sfeer nu omschrijven? Waardoor wordt het dramatische effect bereikt?

                        (manier van spelen, fel, melodie op zich is al dramatisch, strijkers, behalve bassen,                                     spelen de melodie unisono, en er is een aanvullende melodie!, die voor dynamisch                                        effect zorgt)

 

Coda:   laatste klanken scheppen een bepaalde sfeer, heb je er een beeld bij? Hoe ziet dat eruit?

 

 

Luisterstuk II    Bolero Ravel    klas 7-8

 

We gan luisteren naar en heel bekend en beroemd stuk nl. de Bolero van Ravel. Noteer op bord. Nee, niet Rável, maar Ravél. Wie kent het? Ik denk, als jullie het horen, dat ik dan heel wat meer vingers zal zien.

(Bij elke vraag zet ik de muziek stop en stel de vragen)

 

Opdracht 1.  Luister naar het ritme van de trommel.

Is het ritme de hele tijd hetzelfde of verandert er iets?

Wie kan het na tikken of zingen? Je mag twee handen gebruiken. Kan iemand het ritme noteren? Ik rafel het ritme uit elkaar om ze te helpen. Ritme staat even later op bord.

 

Opdracht 2.  Naast de melodie die net als het ritme erg opvalt, klinkt er nog wat. Wat is het?

 

Opdracht 3.  Welk instrument begint met de melodie? De melodie is vrij lang. Als de melodie weer opnieuw begint, weet je hoe lang die was. Welk instrument zet voor de tweede keer de melodie in?

 

We luisteren tot de tweede melodie twee keer geklonken heeft.

 

Opdracht 4. Ik deel het notenschrift van beide melodieën uit en lln. steken één of twee vingers op bij het horen van de desbetreffende melodie.

 

Opdracht 5.  Over de accenten in de melodie: Soms zijn er accenten die die niet zoals gewoonlijk op de eerste of derde tel komen. Steek je vinger op wanneer je zulke accenten hoort.

 

Opdracht 6. Wat doet de componist om variatie aan te brengen?

We luisteren nu het hele stuk uit.

 

Opdracht 7. Wat is de geluidssterkte aan het einde? Noem twee dingen die deze sterkte veroorzaken. En aan het begin? Als je dat zou moeten tekenen, hoe zou dat eruit kunnen zien? Zijn er nog veranderingen te noemen? Zo nodig luisteren we nogmaals het laatste stuk.

 

De vader van de componist was maker van precisie-instrumenten. Denk je dat Ravel deze vaardigheid geërfd heeft?

 

Wie had dit stuk nog nooit gehoord?

In de film  ‘Les uns et Les autres’  wordt hier een erg mooi ballet op gedanst.

 

 

Luisterstuk III  Misa Flamenca  Paco   Les over Flamenco                    klas 10

 

Onderwerp van vandaag is Flamenco. Uit welk land? Spanje. Ik laat flamenco horen met opdracht:

Wat vind jij het belangrijkste kenmerk?

 

Flamenco wordt vaak in een adem genoemd met...wie, zigeuners.

De oorsprong van Flamenco ligt alleen bij de zigeuners. Het is eigenlijk muziek, die is ontstaan uit een combinatie van muziekstijlen van verschillende bevolkingsgroepen ten tijde van Columbus. Wanneer was dat ook alweer? Juist 1492. In die tijd woonden er moren (afrikaans-arabische stammen), christenen en joden in Spanje. Zij leefden daar betrekkelijk vreedzaam met elkaar.

Totdat Isabella van Castilië en Ferdinand van Aragon een groot rijk stichtte en in 1492 de laatste stad, Granada, bevrijdde van de moren. De Reconquista was na een paar honderd jaar te einde.

De joden die altijd het zwarte schaap waren, werden niet meer getolereerd. Ook de moren moesten zich bekeren en anders zich uit de voeten maken. Goed, de joden hadden hun muziek, de arabieren hadden natuurlijk al heel lang hun oosterse invloeden doen gelden en de christenen hadden hun meer westerse dans-en kerkmuziek, die al zeer vroeg in Spanje al onder invloed stond van de Byzantijnen uit het oosten. Om een lang verhaal kort te maken, terwijl de verschoppelingen naar het platteland trokken, kwamen de zigeuners Spanje binnen, ook weggejaagd, maar dan uit uit India. De muzikale elementen kwamen bij elkaar en de zigeuners smeedden er de Flamenco van. Zij bezongen, hartverscheurend, hun ellende. Eerst was zang onbegeleid, want zigeuners hadden toen nog weinig instrumenten. De eerste begeleiding bestond uit knippen met de vingers of het handen klappen. Later werden ook de voeten belangrijk en ontwikkelde zich de speciale passen. Laten we eens kijken naar dat handen klappen, het wordt palmas genoemd.

Ga allemaal maar even staan. Ik laat muziek horen met een duidelijk ritme en we klappen mee. Even later zet ik de muziek stop. Ga maar weer zitten. Droog en langzaam oefenen we klap en stamp met de voet, tenen laten staan en met hak Om en om. Steeds sneller. In twee groepen: de eerste klapt op de één, de tweede groep stampt op de één en klapt op de twee. We proberen dit ook met de muziek mee te doen.

Valt nog niet mee, maar verschillenden kwamen toch al een heel eind.

 

Noem een belangrijk instrument in de flamenco: de gitaar. Op een goed moment is de gitaar als begeleidingsinstrument bij de flamenco gekomen: gitaristen die met hun taak in de stad klaar waren trokken naar de plattelandstaveernes om naar de onzedelijke dansen van de zigeunervrouwen te kijken. Echte muzikanten gaan dan natuurlijk meespelen. De dans ontwikkelde zich en de zang ook. De gitaristen wilden niet achterblijven en ontwikkelde hun begeleidingsmuziek tot zelfstandige flamenco-muziek, al zal iedereen die kennis van zaken heeft vertellen dat Flamenco in eerste instantie een zangkunst is.

 

Er zijn heel veel verschillende vormen van Flamenco ontstaan in de geschiedenis:

uit dansen, uit situaties van werk, gevangenis of wat dan ook. Ze hebben allemaal hun eigen herkenbaar karakter. Ik laat een paar verschillende stukjes horen. Ik schrijf ze op het bord.

Er zijn er die zijn onbegeleid, zoals de Martinete, met een vrij ritme onstaan in de smederijen, waar zigeuners werkten. Een bekende is ook de Soleares, ernstig en gracieus.

De Buleria is een versnelde solerares, een feestdans, maar wel met dramatiek.

Deze twee hebben bijzondere accenten door de maatverdeling: 2 maal 3 gevolgd door drie maal twee. Dus de accenten vallen op 3, 6, 8, 10, 12. We gaan dit even droog oefenen en later met muziek.

(Eventueel ook met danspassen uit te breiden

De Minera, is onstaan uit het werk in de mijnen. We luisteren en proberen te ontdekken of we de afkomst kunnen horen. (de wrange klanken)

Dan hebben we nog een Sevillana, uit welke stad?, heel goed Sevilla. Waar de zon altijd schijnt en het leven een feest is. eze vorm wordt wel gebruikt door de zigeuners, maar de dans komt echt uit het volk. Zij is niet tragisch.

Dan als laatste de Alegria, wie weet wat dat woord betekent? Hoe kun je dit karakter in de muziek horen?

 

 

In les 2 kan als uitloop de Misa Flamenca aan bod komen.

 

We gaan naar een bijzondere mis luisteren. Misa Flamenca.

ALs je het woord hoort, wat stel je je er dan bij voor?

Dit kan natuurlijk alle kanten opgaan, maar we zullen wel uitkomen op een mis met gezangen en  flamenco-invloeden. We gaan luisteren hoe het is.

 

We halen spaanse elementen uit de koorzang naar voren.

We horen koorzang waar ineens een flamencozanger bovenuit toornt. Hoe is dat, wat doet dat met je?

Wat vind je van deze bijzondere combinatie?

Wat zijn de voornaamste verschillen in de zangstijlen?

Vind je een katholieke mis een goede plek voor flamenco-zang?

In het Credo worden weer beide zangstijlen gebruikt. Hoe zou je de beide stijlen in kleur kunnen duiden,  in relatie tot elkaar.

Het Onze Vader is bij ons een gezamelijk gebed. Hoe is dat hier? Waarom denk je dat dat is?