Stan - Gitarist, Spaanse Gitaarmuziek, Bossa Nova, Spaanse Muziek
 

 

 

MUZIEK, PEDAGOGIE EN ANTROPOSOFIE

Essay "Omgang met de temperamenten in de instrumentale muziekles"

© Stan Kuunders – http://www.degitarist.nl

INHOUDSOPGAVE

DANKBETUIGING
0 INLEIDING
1 OVERZICHT VAN DE TEMPERAMENTEN
1.1 Temperamenten en eigenschappen
1.2 Herkenning van het temperament: volwassenen en kinderen
1.3 Temperament en instrument keuze
1.4 De gitarist
2 OMGANG MET DE TEMPERAMENTEN IN DE INSTRUMENTALE MUZIEKLES
2.1 Algemene uitgangspunten
2.2 Herkenning en harmonisering van het temperament via muzikale middelen
2.3 Pedagogische en muzikale uitgangspunten
2.3.1 Melancholicus
2.3.2 Flegmaticus
2.3.3 Sanguinicus
2.3.4 Cholericus
2.3.5 Ensemble les
2.3.6 Huiswerk
2.3.7 Voorspelen door de docent
2.3.8 Hoe ga je om met fouten?
NAWOORD
LITERATUURLIJST


DANKBETUIGING
Graag wil ik Marcel de Leuw (docent alg. menskunde en temperamenten, Hogeschool Helicon) en Fenneke Francken (docent viool en muziekfenomenen, VMA/ODM) danken voor hun inhoudelijke bijdrage aan dit essay.

INLEIDING
Het idee over dit onderwerp is ontstaan tijdens de periodelessen temperamenten van Marcel de Leuw. Ik begon me te realiseren hoe belangrijk het voor een muziekpedagoog is om inzicht te krijgen in dit onderwerp en om de temperamentenleer praktisch te kunnen toepassen. De inhoud van de lessen waren voornamelijk gericht op grote groepen en voor Vrije School docenten. We hebben vele kindertekeningen geanalyseerd op hun overeenkomstige temperament. Gedurende de lessen ontstonden er bij mij ideeën over de toepassing van de temperamentenleer tijdens muzieklessen. Er is weinig tot niets bekend over de toepassing hiervan in de instrumentale lessen. Ik hoop dan ook dat dit verslag een inspiratiebron mag zijn voor ieder die in zijn lespraktijk bewust de temperamentenleer wil toepassen. Belangrijk is dat de temperamentenleer nooit dogmatisch mag worden toegepast. Ook is het niet de bedoeling dat de docent leerlingen een “temperamentenstempel”opplakt en van daaruit eenzijdig gaat werken. Het werken met temperamenten is een dynamisch, vormend en zoekend proces. Temperamentenleer is een instrument om inzicht te krijgen in het ware wezen van de mens.
De werkwijze in een goede muziekles behoort gebaseerd te zijn op o.a. de volgende uitgangspunten: [de Vree];

1. Het algemene doel van een goede muziekles is de verbetering van de muzikale vorm van de leerling. De leraar moet zijn leerlingen zo opvoeden dat ze muzikaal zelfstandig worden;
2. De manier van werken moet in verband hiermee steeds worden afgestemd op de leerling;
3. Musiceren is het scheppen van levende klank en als zodanig een creatief gebeuren;
4. Leren musiceren is gebaseerd op de vorming van een goed muzikaal voorstellingsvermogen.
Het inzetten van inzicht over de leer van de temperamenten sluit dus direct aan onder nummer 2 hierboven genoemde tekst. Elke leerling zit anders in elkaar en heeft een ander temperament en muzikale aanleg. Hier dient dus rekening mee gehouden te worden indien men scheppend en muzikaal opvoedend bezig wil zijn tijdens de les.

De leer van de temperamenten is niet door R. Steiner zelf uitgevonden. Temperamentenleer komt al voor bij de Grieken. Aristoteles ging uit van de vier elementen waaruit alle dingen waren opgebouwd: vuur (Cholericus), lucht (Sanguinicus), water (Flegmaticus) en aarde (Melancholicus). De Grieken zagen dat de uiterlijke natuur overeenkwam met het innerlijke beleven. De Romeinen verdiepten zich ook in de temperamentenleer en waren de eersten die alles begonnen op te schijven. Galenus, een Romeinse arts schreef als een van de eerste over de temperamenten. Later in de middeleeuwen schrijft ook Paracelsus over dit onderwerp. Ook andere culturen in onze huidige tijd, zoals de Indiërs (Ayurveda), de Chinezen en de Tibetanen, passen de temperamentenleer nog steeds toe in hun traditionele geneeswijzen. Steiner heeft de temperamentenleer verder ontwikkeld en gekoppeld aan het 4-ledig het mensbeeld. Zijn ideeën plaatste hij in een pedagogisch kader. Momenteel wordt deze leer bewust toegepast in o.a. het vrije school onderwijs.
Het eerste hoofdstuk vormt het theoretische kader, waarbij wordt ingegaan op de temperamentenleer. Het boek van T. de Vree vormt de basis voor de elementen die een rol spelen in de instrumentale muziekles. Tijdens het laatste hoofdstuk zet ik enkele elementen uit dit boek in het licht van de temperamentenleer.

1 Overzicht van de temperamenten
1.1 Temperamenten en eigenschappen
In de onderstaande tabel geef ik een overzicht uit de literatuur van de eigenschappen van de 4 temperamenten en elementen die kunnen helpen bij de waarneming van het temperament. In het algemeen kan men concluderen dat de cholerische en sanguinische temperamenten wijzen op interesse voor de buitenwereld en willen zich hiermee verbinden. Beide temperamenten stralen in hun omgeving uit. De flegmatische en melancholische temperamenten worden beheerst door krachten welke van de omgeving afsluiten. Zij concentreren zich op het innerlijk.
De pure vorm van de bovenstaande temperamenten komt zelden voor. De meeste mensen hebben een combinatie van de bovenstaande temperamenten. Sommige ervan komen meer in het zuiden van Europa (cholerisch, sanguinisch) voor dan het noorden (flegmatisch en melancholisch).
Bij kinderen kun je het temperament nog duidelijk herkennen in het fysieke lichaam. Het temperamenten worden ontwikkeld tussen 7 en 14de levensjaar. In acht nemend de ontwikkelingsfasen van de mens, wordt het temperament dus gevormd door vormende ether krachten die een wisselwerking hebben met het fysieke en het astraal lichaam. In de volgende tabel wordt een overzicht gepresenteerd uit diverse literatuur m.b.t. de eigenschappen van de 4 temperamenten.

Temperamenten en Eigenschappen
Cholericus (vuur); Uitvinder en ontdekker, verdraagt slecht kritiek, houdt van leiding geven, weerstanden overwinnen, op toekomst gericht, snel en sterk geprikkeld door de minst of geringste indruk, is geneigd om onmiddellijk te reageren, hartstochtelijke karakter, actief persoon, enthousiast en gedreven in zijn werk, gemotiveerd door plicht, verantwoordelijkheid, veiligheid en het behoud van orde en traditie. presenteert zichzelf graag voor een groep, durft risico te nemen, is zelden somber of humeurig zeker wanneer hij zijn zin maar krijgt, heel gevoelig, trots en gemakkelijk gekwetst, reageert sterk op lof of verwijt, heeft een uitgesproken neiging te volharden.

Sanguinicus (lucht);Typische kinderlijk temperament, extravert temperament, is hartelijke en spontaan, zelfs naar vreemden, wint gemakkelijk het vertrouwen, heeft een brede vriendenkring, is niet selectief, vriendelijk, maar zich onbewust wat zijn activiteiten en beslissingen tot gevolg hebben, met name voor anderen, houdt zich niet bezig met details, maar met het grotere plaatje, toont weinig volharding, begint veel maar maakt niets af. frequente schommelingen van stemming, is geneigd om frequent van opgetogenheid naar neerslachtigheid te veranderen, avontuurlijk, open, spraakzaam, gezellig, drukt emoties vlot uit. De sanguinicus heeft in het algemeen geen gebrek aan belangstelling, maar kan zich moeilijk verbinden.

Flegmaticus (water); Welzijn, prettig in lichaam, houdt de wereld ver van zijn lijf, liever bezig met het verleden dan heden, is niet overhaast in het doen van uitspraken en oordelen, kan geduldig waarnemen, reageert niet snel, is langzaam in het nemen van beslissingen, passief persoon die confrontaties vermijdt, kan moeilijk nee zeggen, verkiest rust en vrije tijd boven werken, is uit op zijn gemak, eten en drinken, werkt langzaam.

Melancholicus (aarde); Vroegrijp, leeft sterk in gedachten, kan zich goed in anderen inleven, neemt alles ernstig op, vaak somber en treurig, heeft zijn lichaam niet in de greep, is trouw, iemand waarop je kunt vertrouwen, betrekt graag alles op zichzelf, blijft lang kwaad op iemand, trekt zich het lot aan van het leed in de wereld, passief persoon, heeft een hekel heeft aan onverwachtse gebeurtenissen of veranderingen, zal zich onder druk terugtrekken, bereidt zich goed voor, gebruikt zijn denkvermogen op weloverwogen wijze, zodat hij het meestal bij het rechte eind heeft en zijn geloofwaardig niet zal verliezen, sterk in details, voorzichtig, behoedzaam, langzaam in het nemen van beslissingen, idealist, streeft enthousiast naar perfectie, de waarheid en rechtvaardigheid, interesse in spiritualiteit, verlangt heimelijk naar een hemelse werkelijkheid, waardoor het leven op deze aarde altijd een teleurstelling is, onderzoekend, analyserend, zoekend naar patronen, en zich ontwikkelend, is precies en accuraat, procesmatig, gestructureerd en georganiseerd, goed in wiskunde, de presentatie van zichzelf is vaak nadelig, is bescheiden en heeft geen pretenties. logica en natuurkunde.

1.2 Herkenning van het temperament: volwassenen en kinderen
Voor de herkenning is het belangrijk om de temperamenten in hun relatie met het vierledig mensbeeld te begrijpen (wezensdelen). Ik ga hier niet het hele mensbeeld uitleggen, daarvoor verwijs ik naar de Theosofie van Rudolf Steiner. Steiner koppelt de 4 temperamenten met de 4 wezensdelen, namelijk (cholerisch, ik), (sanguinisch, astraal lichaam), (flegmatisch, ether lichaam), (melancholisch, fysiek lichaam). Hij doelt hierop dat als een van de 4 wezensdelen overheerst, er een bepaald temperament gaat domineren.

(cholerisch, ik)
De cholerische mens heeft een sterk innerlijk leven. Zijn ik domineert en wil zich verzetten tegen de weerstanden van buitenaf. Hij wil zich handhaven en zijn wil tot uidrukking brengen door uitgelaten te keer te gaan. Door de gerichte kracht van het ik wordt zichtbaar in de groei en vorm wat innerlijk werkt. Dit kan zich vertalen in een kleine en gedrongen gestalte. Het is belangrijk dat we niet generaliseren en banaliseren door te zeggen dat cholerische mensen altijd klein zijn. Het gaat altijd om verhoudingen. We mogen de gestalte van de mens alleen met de eigen ontwikkeling vergelijken.
De oogopslag is krachtig en heeft daardoor een vastberaden en energieke blik. Het voorhoofd is hard en laag. Aan het bewegingspatroon kan men de kracht van het ik tot uitdrukking zien. Het loopt niet over de grond, maar stapt krachtig.

(sanguinisch, astraal lichaam)
Sanguinische mensen hebben een vrolijke oogopslag. Het innerlijk plezier en vrolijkheid glanst in het oog. Hierin wordt het karakter van het bewegelijke astrale lichaam zichtbaar. Het astrale lichaam overheerst en werkt dominerend in op de andere wezensdelen. De uiterlijke verschijning zal hierdoor ook erg beweeglijk zijn. De bewegingen zijn vlug en spontaan. Het lopen kan lijken op dansen. Het heeft een huppelende en springerige stap. Ze zijn lichtvoetig en vlug. De gestalte is slank en lenig. De gelaatsuitdrukking is bewegelijk, veranderlijk en expressief.

(flegmatisch, ether lichaam)
Er is weinig wisselwerking tussen het innerlijk leven en het actief zijn naar buiten. Ze zijn innerlijk niet direct met iets bezig, zijn in zichzelf gekeerd en hebben ook geen interesse naar buiten toe. De manier van lopen van deze kinderen is wat slonzig, traag in beweging. Tevens kan hij lang met hetzelfde bezig houden. De gelaatsuitdrukking is onbewegelijk en het heeft een interesseloos gezicht, zonder uitdrukking.

(melancholisch, fysiek lichaam)
De melancholicus is niet geheel meester van zijn lichaam. Hij ondervindt veel weerstanden op het fysieke niveau. Het hoofd is naar voren hangend en kan moeilijk door de nek alleen gedragen worden. De blik is naar beneden gericht. Zijn passen zijn afgemeten en stevig. Het is stevig en slepend tegelijk. Hij kan terughoudend spreken.

Het is belangrijk om als pedagoog nooit te snel conclusies te trekken over het temperament van een volwassenen of van een kind. Een goede en continue observatie is van cruciaal belang. Samengevat zijn de hulpmiddelen:
• Observatie van het fysieke lichaam/ verschijningsvorm
• Observatie van de werking van het etherlichaam: manier van lopen en bewegen
• Observatie van kindertekeningen
• Observatie van hoe het kind reageert op prikkels en hoe de reactie is; krachtig of zwak (zie schema hiernaast)

Als een temperament te sterk is ontwikkeld dan kan dit vrij makkelijk worden waargenomen. Hieronder volgen enkele herkenningspunten:
Cholerisch; Agressief, woede uitbarstingen (nooit ironische worden overigens), ongedisciplineerde krachtsuiting.
Sanguinisch; Rusteloosheid, springen van de hak op de tak, niet geconcentreerd kunnen zijn en oppervlakkigheid.
Flegmatisch; Onverschilligheid, slaperigheid, moeilijk op gang te komen .
Melancholicus; Sterk afhankelijk van het lichaam en van het weer.

1.3 Temperament en instrument keuze
De (uiteindelijke) keuze van een kind voor een bepaald muziekinstrument, waarbij het zich “lekker”voelt kan een signaal zijn voor het temperament voor dit kind. Een cholericus kiest graag voor ritme instrumenten zoals slagwerk of percussie (element vuur). Een sanguinicus kiest graag voor blaas instrumenten (element lucht) zoals de lichte, zonnige en bewegelijke fluit maar ook voor het bewegelijke karakter en hoge klank van de viool. Een flegmaticus kan neigen naar instrumenten zoals de piano of orgel. Een melancholicus kan neigen naar instrumenten waarvan de klank projectie kleiner is zoals gitaar en harp.
We moeten niet vergeten dat bij het musiceren het er wel uiteindelijk om dat je je muzische mens ontwikkeld. Dit betekent dat een goede musicus beschikt over de controle van alle 4 de temperamenten. Een muziekstuk zoals de gitaar Sonate van de componist Turina (Spanje) bestaat uit muzikale elementen die zijn oorsprong vindt in de 4 temperamenten. Voor sommige passages zal de musicus zijn cholerisch temperament moeten inzetten. Voor andere passages weer zijn melancholisch. Voor de uitvoering van b.v. Satie, zal de musicus zijn cholerische temperament toch echt aan de kant moeten zetten. Grote componisten zoals Beethoven en Rachmaninov hadden duidelijk een groot besef van de verschillende temperamenten in hun muziek. Daarom spreekt hun muziek ook zo gemakkelijk aan bij het grote publiek. Iedereen herkent zich er wel op een op andere manier in.

1.4 De gitarist
In gesprek met mede gitaristen ben ik nagegaan wat de typische karakter eigenschappen zijn van een gitarist. Natuurlijk kan men nooit hierover generaliseren en zijn er altijd uitzondering. Maar in grote lijnen komt naar voren:
• Individualistische opstelling, wat in het negatieve tot egoïsme kan leiden;
• Iemand die harmonie nastreeft;
• Rustige persoonlijkheid;
• Leergierig;
• Doorzetter, wat in het negatieve zelfs tot verslaving kan leiden;
• Perfectionist;
• Oog voor detail;
• Humoristisch en gezellig;
• Sociaal, maar voornamelijk binnen zijn eigen “gitaar” wereld;
• Idealist;
• Filosofisch instelling;
• Blijft makkelijk hangen in zijn eigen wereld.

We zien dat klassieke gitaristen in het algemeen een combinatie van melancholische en flegmatisch temperament hebben, waarbij het flegmatische overheerst. Ook hier weer geldt dat dit natuurlijk niet per definitie voor iedereen waar is. Flamenco gitaristen zijn buiten beschouwing gelaten.

2 Omgang met de temperamenten in de instrumentale muziekles
2.1 Algemene uitgangspunten
Bij de omgang met de temperamenten is het belangrijk om niet tegen de natuurlijke stemming van de leerling in te gaan, maar materiaal aan te bieden en een lesvorm te bedenken dat past bij het temperament en deze tevens vruchtbaar maakt. De uitingen van het temperament zijn geen eigenschappen van de leerling, maar de wijze waarop het zich uit. Als je op deze manier tegen temperamenten aankijkt, dan is het ook moeilijk dat je aan iemand een hekel gaat krijgen, omdat bijvoorbeeld een bepaald temperament overheerst in de negatieve zin. Het gaat erom dat de pedagoog de ontwikkeling van het temperament bijstuurt en harmoniseert.
Tijdens de muziekles is het belangrijk dat je in eerste instantie aanknoopt bij het aanwezige temperament. Je kunt alleen werken met datgene wat innerlijk aanwezig is bij een kind. Het temperament kun je alleen harmoniseren via een omweg, omdat deze niet direct aan te spreken valt.
Wel ben ik van mening dat je als docent natuurlijk niet alleen maar met het temperament van het kind bezig bent. Je mag je niet te veel toegeven aan het temperament. We spreken over de manier waarop we een kind iets kunnen aanleren, want er zijn altijd meerdere wegen die naar Rome leiden.

2.2 Herkenning en harmonisering van het temperament via muzikale middelen
In het eerste hoofdstuk hebben we gezien hoe we het temperament kunnen herkennen via o.a. het fysieke lichaam. Als muziekdocent kun je ook muzikale spelletjes inzetten om het temperament zichtbaarder te krijgen. In groepsverband is het volgende ritmespel van toepassing:

Stap 1 Ga in een kring zitten
Stap 2 Iedere leerling krijgt dezelfde snaar toegewezen
Stap 3 Unisono doen we b.v. het ritme kort- kort- lang. Dit doen we zolang dat iedereen het ritme heeft.
Stap 4 Vervolgens gaat dit ritme door de kring
Stap 5 Docent neemt waar

Wat kan gebeuren is dat het cholerisch temperament zichtbaar wordt omdat iemand de toon te vroeg laat klinken. Een melancholicus kan de toon te laat laten klinken in het gegeven ritme en een sanguinicus komt zelf met nieuwe voorstellen om het spelletje nog leuker te maken. Wat wel in de praktijk gebeurt is dat kinderen geneigd zijn om elkaar op te voeden m.b.t. de juistheid van het uitvoeren. Daarom is het wel goed om in groepsverband altijd te zorgen dat verschillende temperamenten aanwezig zijn. In ritmen vinden de temperamenten hun meest algemene uitdrukkingsmiddel [B.C.J. Lievegoed]. In zo’n dergelijk spelletje is het goed om alle temperamenten aan bod te laten komen door bijvoorbeeld een levendiger ritme te pakken zoals, kort lang – kort lang (jambe) voor de cholericus en sanguinicus.
Voor het uitzoeken van lesmateriaal voor het ensemble spel zal de muziekdocent een gevarieerd repertoire moeten uitkiezen, waarin de verschillende temperamenten zich kunnen vinden. Muziekstukken met de volgende karaktereigenschappen zijn beter geschikt voor de cholericus en de sanguinicus:

• Tempo: allegro of sneller
• Snelle opgaande melodische lijnen en snelle dalende melodische lijnen
• Plotselinge sfeerovergangen zoals in veel Spaans repertoire

Langzame dalende melodische lijnen spreken van lijden, berusting, inslapen en afdalen. Een flegmaat en een melancholicus zullen zich hierin goed kunnen vinden.

2.3 Pedagogische en muzikale uitgangspunten
2.3.1 Melancholicus
Meevoelen
De melancholicus heeft de drang om aan weerstanden te blijven hangen. Belangrijk bij deze kinderen is om het vermogen van het naar binnen-gericht-zijn weg te trekken en naar buiten te richten. Dit kan d.m.v. het kind te laten zien hoeveel leed er is in de wereld, zodat het ervaart, dat buiten hem ook dingen zijn, waaraan smart te beleven valt. Zeker in groepsverband is het niet verstandig om melancholische kinderen bij vrolijke leerlingen te zetten. Dit werkt averechts. Dit is dus een zeer belangrijk gegeven voor muzieklessen die zich in groepsverband afspelen. Bij grote groepslessen zoals ensemblespel is er vaak geen keuze (er is maar 1 groep), maar je kunt kinderen binnen een groep wel weer volgens temperamenten ordenen. Een melancholische leerling moet voelen dat de leerkracht ook wat doorgemaakt heeft. Ook kan het helpen om bij melancholische kinderen over het lot van sommige componisten te vertellen. Over het onstuimige leven van Beethoven of het onzekere leven van Mozart. Laat de leerling zelf een biografie opmaken over b.v. de beroemde en blinde componist Joaquin Rodrigo.

Oefenen in de les
De melancholicus is kritisch ten opzichte van zichzelf. Hij wil altijd de tijd nemen voor dingen en houdt van detail. Hij wil graag begrepen worden door de docent en wil graag dat iemand met hem meevoelt in zijn moeilijke proces. Belangrijk is om de les te gebruiken om samen te oefenen en daarvoor goed de tijd te nemen, zodat hij zich aanleert hoe hij thuis moet studeren. Ook zal je langer stil moeten staan bij de behandeling van een muziekstuk zodat het detail goed uitgewerkt kan worden en het stuk ook echt afgemaakt kan worden.

Harmonisatie
Als pedagoog probeer je dus om het kind van de naar binnen gerichte intentie van smart en verdriet af te leiden en te richten op dingen buiten het kind: verdriet beleven aan een objectieve werkelijkheid. Innerlijk zal het kind dan een andere kant op gaan. Op deze manier treedt de harmonisatie van het temperament in werking.

Stromen
De melancholicus denkt veel. Het is belangrijk om de leerling te leren hoe het denken ook los gelaten kan worden. Als het muziekstuk in zijn detail is uitgewerkt zal de melancholicus het denken moeten loslaten. Dit kan door het muziekstuk in een beeld te zetten en elementen van de natuur hierbij te betrekken. Het moet gaan stromen en dat is moeilijk wanneer men teveel denkt. Men kan werken met beelden als b.v. “het voorbij gaan van wolken”of het “stromen van water”. De pedagoog kan een sprookje of een stuk tekst verzinnen dat gebruikt kan worden om een muziekstuk te laten stromen.
Doordat de melancholicus veel denkt is het goed om veel (wils)spelletjes te doen m.b.t van de ledematen. Voor voorbeelden van spelletjes verwijs ik naar mijn fenomenen verslagen.
Tijdens de gitaarles kan men met toonladders werken. Een melancholicus zal er van nature voor kiezen om langzaam en geconcentreerd elke toon van een toonladder goed te spelen. Voor de docent is het de taak om de leerling te stimuleren (na enige technische beheersing) om snel en zonder te denken een toonladder te spelen. Nabootsing zal goed werken. Een bruikbaar spel is het volgende:

Stap 1 Docent speelt een (bekende) toonladder met een bepaald gebaar/ karakter (b.v. langzaam stijgend, even wachten op de hoge noot en weer, wat sneller, via een spiraal terugglijdend naar de grondtoon).
Stap 2 Leerling bootst het gebaar eerst na met de hand
Stap 3 Pas als het goed is, mag de leerling het gebaar na spelen op de gitaar
Stap 4 Docent vraagt: “ hoe vond je het klinken”? Eventueel speelt de docent nog een keer de toonladder met het bepaald gebaar
Stap 5 Leerling herhaalt

Het voordeel van dit spel is dat de leerling automatisch minder zal gaan denken en meer in het stromen komt. Het kan toegepast worden bij alle temperamenten. Een docent zal voor een melancholicus een sneller gebaar maken zodat deze leert “loskomen” en geen tijd heeft om elk detail in zich op te nemen, maar op deze manier meestroomt met de docent.

2.3.2 Flegmaticus
Aandacht en interesse
De pedagoog moet de flegmaticus nieuwe indrukken geven uit zijn omgeving, het zielenleven wekken en in beweging brengen zodat hij “niet in slaap valt”. Tijdens hospiteerstages heb ik gemerkt dat als de docent in groepsles bezig is met het geven van technische aanwijzingen aan een leerling, de aandacht van de andere leerlingen op iets anders wordt gericht. De cholericus zal met zijn handen gaan spelen of iets zoeken uit zijn omgeving waar hij de aandacht op kan vestigen en de flegmaticus staart voor zich uit en zou bij wijze van spreke zelfs in slaap kunnen vallen, met het gevolg dat het lang duurt voordat hij weer op gang komt. In groepsles is het dus belangrijk om niet te lang de aandacht te vestigen op een leerling.
Voor het flegmatische kind is het belangrijk dat deze omgaat met andere kinderen die veel belangstelling hebben, omdat van een flegmaticus zelf weinig interesse uitgaat. Hij moet dus gestimuleerd worden door medeleerlingen. Steiner zegt samengevat dat interesse opwekken aan de interesse van anderen het beste middel is voor het flegmatische kind.
De pedagoog kan bij de flegmaticus veel boeken van het zelfde niveau behandelen. Dat vindt het kind prettig. Veel herhaling is hier dus belangrijk. Ook in het voorspelen.

Harmonisatie
In een individuele les zal de docent zich moeten splitsen. Hij zal enerzijds een houding moeten aannemen van ongeïnteresseerdheid naar het kind toe en anderzijds innerlijk heel geïnteresseerd moeten zijn. Op deze manier zal de leerling een spiegelbeeld zien van zijn eigen wezen wat tot gevolg heeft dat het temperament zich harmoniseert.

2.3.3 Sanguinicus
Zoeken naar interesse
Een sanguinische leerling heeft interesse voor vele dingen maar kan zich moeilijk hiermee verbinden. Het heeft een beweeglijk astraal lichaam. Hierdoor springt het van de hak op te tak en verspreidt het zijn aandacht. Het heeft dan ook geen zin om er iets in te hameren. Belangrijk is dus hierbij dat muziekpedagogen zoeken naar een bepaalde interesse die aanwezig is en dit vervolgens in het middelpunt plaatsen. Nu is het in het muziekonderwijs zo dat men tot op zekere hoogte ervan uitgaat dat het kind een eigen interesse heeft in het instrumentale spel. Het wil een instrument leren. Er bestaat geen wet dat kinderen een muziekinstrument moeten leren i.t.t. de leerplicht. Kinderen moeten verplicht naar school. Voor een sanguinicus is het natuurlijk zeer leuk en spannend om een instrument te gaan leren. Het gevaar ontstaat dat de interesse voor het instrument na een bepaalde tijd weg kan stromen. Hier kunnen verschillende redenen voor zijn b.v. het instrument past niet goed bij de leerling, geen tijd, etc. Als docent is het belangrijk om in de eerste plaats niet zo zeer naar externe factoren te zoeken, maar naar de lesvorm. Vooral bij een sanguinicus is het dus belangrijk om direct te zoeken waar de muzikale interesses liggen en hierbij aan te sluiten. Het leren van het notenschrift kan een obstakel zijn, terwijl speelse en vrije improvisaties en bewegingsspelen wel de interesse van de sanguinicus wekt. We moeten dus als muziekpedagoog de juiste snaar weten te treffen, zodat de belangstelling kan ontstaan. Natuurlijk zal de pedagoog zich niet alleen maar overgeven aan de interesse van het kind, maar het is een uitgangspunt.
Zeker bij een sanguinicus is het belangrijk dat de docent zelf ook vrolijk en levendig is. Er moet veel afgewisseld worden.

Zintuigen
Uitgangspunt bij de lesvorm van echte sanguinische kinderen is dat de aandacht ligt op de zintuigen. Veel luisteroefeningen en goede vragen hierbij verzinnen is dus erg belangrijk. Andere voorbeelden zijn:
• Op gehoor naspelen (speeldictee)
• Voorspelen met een fout: waar zit de fout?
• Bewegingsspelen

Stage-ervaring
Tijdens stageles heb ik een sanguinisch kind op les gehad. Deze jongen kon nauwelijks op zijn stoel blijven zitten en zijn hoofd draaide alsmaar rond, om te kijken of er buiten hem iets interessants te beleven viel. Hij kwam vaak met eigen voorstellen en het notenschrift sprak hem niet echt aan, maar improvisatie vond hij wel leuk. Men hem heb ik ook veel luisterspelletjes gedaan.

2.3.4 Cholericus
Lesvorm
Bij een cholericus moet de les opwekkend beginnen en naarmate de les vordert moet het tot rust komen.
Vertrouwen
Bij een cholerisch kind mag geen gevoel van twijfel ontstaan. We moeten bij een cholerisch kind in hoge mate vertrouwen opwekken. Hij moet eerbied, respect en waardering ontwikkelen voor een persoon. De muziekdocent zal dus dit vertrouwen moeten geven. Dit stelt hoge eisen. Het cholerisch kind moet overtuigd zijn dat de docent zijn zaak beheerst.

Voorspelen
Soms heb ik tijdens stages gezien, dat een gitaardocent een muziekstuk slecht voorspeelt voor een leerling; vergeten van passages, opnieuw beginnen en geen duidelijke klankprojectie. Dit is geen overtuigende manier van voorspelen voor een cholerisch kind. Bij dit soort kinderen is het dus belangrijk dat de muziekdocent ver boven het materiaal staat zodat het voorspelen voor zijn leerling altijd overtuigend en met vertrouwen gebeurd. Als je mooi en zelfverzekerd voorspeelt voor het cholerisch kind en zonder moeite, dan win je het vertrouwen van je leerling: “mijn meester is goed, die kan het wel”. Op deze manier ontwikkeld de leerling eerbied. Ook het cholerisch kind uitnodigen indien je als docent in het openbaar optreedt kan stimulerend werken voor de ontwikkeling van de waardering.

Weerstanden
Het kind moet in aanraking komen met dingen die niet makkelijk zijn op te lossen. Hij moet iets krijgen dat weerstand biedt, iets moeilijks moet hij kunnen overwinnen. Het huiswerk dat een muziekdocent opgeeft moet dan ook uitdagend zijn voor de leerling. Er moet iets overwonnen kunnen worden. Ook de muziekstukken die je als muziekdocent opgeeft moeten zeker niet te gemakkelijk zijn. De lat moet altijd iets hoger gelegd worden bij echte cholerische kinderen. Prima vista spelen is een onderdeel wat zeker niet makkelijk is. Hier kan de cholericus goed mee worstelen.
De eerbied die de leerling ontwikkelt zal dan werken als tegenkracht en het cholerische temperament harmoniseren.

2.3.5 Ensemble les
Muziekscholen moeten vandaag de dag steeds meer bezuinigen. Vroeger was de individuele les nog betaalbaar, maar nu is het financieel niet meer uitvoerbaar. Groepsles wordt dus vaker een regel dan uitzondering. Het zullen natuurlijk nooit groepen van 15 of meer zijn, maar groepen van 10 zijn niet ondenkbaar. Zeker niet in de naschoolse opvang. Als je met groepen werkt is het goed om mensen van een bepaald temperament zo veel mogelijk bij elkaar te zetten. Tevens proberen om de flegmatische zo ver mogelijk van de cholerische te groeperen. Dit geldt ook voor de melancholische en de sanguinische kinderen. Zij verschillen als noord/en zuidpool.

Bij de cholericus is het goed om het aandacht te betrekken op het ritme, want daar kan hij zich in uitleven. In een groepsensemble kan de cholericus goed de maat slaan op de gitaar, of een groepje dirigeren met beide armen, zodat hij volop zijn energie op een fysieke manier kan laten stromen.

Bij de sanguinicus is het goed om de aandacht te richten op de melodie. Deze is vaak erg bewegelijk en hij zal zich hier in herkennen. Dus ook in de groepsles is het goed om te experimenteren om sanguinische kinderen de melodie stem te geven i.p.v. de bas of een middenstem.

De harmonisatie van het gebrek aan interesse zal in groepsverband bij een flegmaat in werking treden. Zijn eigen interesse kan ontvlammen door anderen.

2.3.6 Huiswerk
Tijdens de muziekles behoort er een basis van vertrouwen te bestaan tussen de leerling en de docent. Een docent gaat ervan uit dat een gemaakte afspraak wordt nagekomen. Het nakomen van afspraken is een gewoonte die aangeleerd moet worden.
Bij de cholericus gaat het er niet om meer huiswerk geven dan dat ie aankan, maar uitdagend/ moeilijk huiswerk. Straf of vrees voor straf leiden nooit tot ware aandacht, het werk wordt dan mechanisch verricht.

2.3.7 Voorspelen door de docent
Voorspelen is voor iedereen belangrijk. Het kan de leerling genot geven en motivatie. Ook begint het stuk waar hij mee bezig is te leven, waardoor hij zich beter kan verbinden met zijn taak. Het voorspelen is dan ook zeker voor de sanguinicus erg belangrijk omdat het hem vaak aan verbindingskracht ontbreekt. Het is tevens belangrijk om de belangstelling te pakken, dus iets voorspelen waar hij iets aan heeft in zijn eigen stuk bijvoorbeeld. Voor een cholericus is het goed om moeilijke stukken met vele snelle loopjes voor te spelen. Dan kan hij zien wat hij nog te verteren heeft. Voor een melancholicus is het belangrijk dat wat je hem voorspeelt binnen zijn bereikt kan liggen, anders voelt hij zich “verloren”.

2.3.8 Hoe ga je om met fouten?
Het streven van de pedagoog moet zijn dat de leerling leert om zijn eigen fouten op te sporen en zelfstandig te verbeteren. In de werkelijkheid is het corrigeren van fouten een kunst. Je moet je eigen temperament in de gaten houden: b.v. reageer je direct op een fout of neem je genoegen met enkele foutjes en zeg je er niets van? Hoe reageer je? In het algemeen is het goed om als pedagoog goed na te denken over de oorzaak van de fout. Want als je als docent je leerling niet werkelijk helpt en er vaak naast zit, dan verlies je het vertrouwen van je leerlingen (vooral bij cholericus is dit belangrijk).
Bij een melancholicus dient in eerste instantie de aandacht gericht te worden op datgene wat goed ging, omdat anders het gevaar ontstaat dat hij het te zwaar oppakt. Vaak zijn echte melancholische bang om fouten te maken. Een cholericus kan het goed verdragen dat je hem eerlijk aanspreekt en duidelijk vertelt waar het fout ging. Hij krijgt hierdoor alleen maar meer respect voor de leraar. Je kunt ook vragen of hij zelf fouten heeft gehoord. Een flegmaat heeft tijd nodig om op gang te komen, dus laat hem het stuk wat hij thuis heeft ingestudeerd, een paar keer voorspelen alvorens in te gaan op wat verbeterd kan worden.
Voor de padagoog is het gedurende les altijd noodzakelijk om goed te observeren. Vooral bij dit punt kan de reactie veel informatie opleveren over het temperament van de leerling. Met deze informatie kan de docent zijn of haar werkwijze vervolgens weer aanpassen:
• Heeft hij de fout zelf opgemerkt?
• Hoe was de reactie; verbeterde hij onmiddellijk?
• Heeft hij de fout genegeerd, maar wel opgemerkt?

Nawoord
Het werken met temperamenten biedt vele mogelijkheden voor de muziekpedagoog. Altijd moet gewaakt worden voor het “etikeren”van leerlingen. Lesgeven is bij uitstek een kunst. Creativiteit en de ontwikkeling van het voortschrijdend inzicht zijn hierbij belangrijk. We zijn vormend en scheppend bezig als we rekening houden met temperamenten. Temperamenten zijn net als kleuren. Ze zijn niet goed of slecht. Ze zijn er gewoon.

Literatuurlijst
Rudolf Steiner – Raadsels van het menslijk temperament
Rudolf Steiner – Praktijk van het lesgeven; werkbesprekingen met leraren
Rudolf Steiner – Opvoeding en onderwijs; spirituele grondslagen
Heinrich Eltz – De vier temperamenten
Tom de Vree – De didactiek van de instrumentale en vocale muziekles

Willem Mirandolle – De grondslagen van het muziekonderwijs (in het bijzonder voor de violocellist)
B.C.J. Lievegoed – Maat, ritme, melodie

Download dit essay in pdf formaat.